14 jaar geleden

Wie schreef de brief aan de Hebreeën?

De Brief aan de Hebreeën neemt onder de brieven van Paulus een zeer bijzondere en geheel eigenaardige plaats in. Hoewel deze brief de naam van de schrijver niet vermeldt, zo blijkt toch, naar onze mening, zowel uit de inhoud, uit de eigenaardige manier van schrijven en uit de groeten en aan het slot, als uit de plaats, die hij in de rij van de brieven inneemt, dat de Christelijke Kerk terecht deze brief aan Paulus heeft toegeschreven. De volgorde toch, waarin Paulus’ brieven gesteld zijn, is klaarblijkelijk onder de leiding van de Heilige Geest geschied. Van de veertien brieven, die wij van hem bezitten, zijn er negen gericht aan verschillende gemeenten, vier aan bijzondere personen, en één aan de gelovigen uit Israël. Van de eerste negen vormt de brief aan de Efeziërs het middelpunt. Vier Brieven gaan aan deze brief vooraf, en vier volgen er op. Dit is hoogst merkwaardig, omdat in de brief aan de Efeziërs beschreven wordt het hoogste standpunt, waarop de gelovige in Christus Jezus door Gods genade geplaatst is.

Nadat Paulus in de brief aan de Romeinen de leer van het heil heeft ontwikkeld, behandelt hij in de brieven aan de Korinthiërs de inrichting, de orde en de tucht in de gemeente, verdedigt in de brief aan de Galatiërs de heilswaarheid tegenover de valse leer, welke Joodsgezinde leraren in Galatië trachtten in te voeren, om dan in de brief aan de Efeziërs het hemelse standpunt, het hemels karakter en de hemelse roeping van de gemeente te beschrijven. Daarop volgt dan in de brief aan de Filippiërs de voorstelling van de hemelse wandel van de Christen; in die aande Kolossers de beschrijving van de grootheid en heerlijkheid van Christus, Die als de hoop van de heerlijkheid in de gelovigen woont, opdat zij, van alle menselijke instellingen en leringen bevrijd, bedenken zouden de dingen die boven zijn, waar Christus is; terwijl tenslotte in de brieven aan de Thessalonikers de leer omtrent de wederkomst van de Heer voor de gemeente en voor de wereld wordt voorgesteld. Na de brieven aan Timotheüs, Titus en Filémon volgt dan de brief aan de Hebreeën, waarin klaar en duidelijk word aangetoond, hoe door het Christendom een einde is gemaakt aan de bedeling van de wet en van de schaduwen; en hoe al de instellingen en offers van het Oude Verbond hun heerlijke vervulling gevonden hebben in Christus, Die als de overste Leidsman en Voleinder van het geloof in de heerlijkheid is ingegaan, om dáár voor al de Zijnen een plaats te bereiden en hun aan Zijn heerlijkheid deel te geven.

Niet zoals Jakobus, die zich wendt tot het gehele Israëlietische volk, maar evenals Petrus schrijft Paulus deze Brief aan de gelovigen in Christus uit Israël, die over de gehele aarde verstrooid waren en zich in Palestina en overal in de vele door hem gestichte gemeenten bevonden. De aanleiding tot zijn schrijven bestond in het grote gevaar, waarin zij verkeerden, om hun Christelijke voorrechten prijs te geven en tot het Jodendom terug te keren. De Christenen uit de Joden hadden van de aanvang af ontzaglijk veel te lijden. Zowel in Palestina als daarbuiten stonden zij bloot aan de vurige haat van de Joden tegen Jezus van Nazareth, in Wie zij hun Heer en Verlosser hadden gevonden; en door dezen opgezet en aangestookt, kwam de woede van de afgodische volken vooral op hun hoofd neer. De Handelingen van de apostelen delen ons daarvan tal van voorbeelden mee. Met moed en blijdschap van het geloof hadden zij deze vervolgingen en dit lijden verdragen. Hoewel zij door smaad en verdrukkingen een schouwspel voor de wereld geworden waren, zo waren zij niet alleen staande gebleven, maar hadden bovendien hun gemeenschap getoond met allen, die aldus behandeld werden, en hadden de roof van hun bezittingen met blijdschap aangenomen, daar hun oog gevestigd was op een beter en blijvend goed in de hemelen (hfdst. 10). Maar zoals dit dikwijls het geval is, de langdurigheid van de vervolgingen had hen moedeloos gemaakt. Hun handen waren slap en hun knieën mat geworden. Zij liepen gevaar in hun zielen te bezwijken (hfdst. 12). Van deze toestand van verslapping had de duivel op een listige wijze gebruik gemaakt. Hij stelde hun voor dat aan de verdrukkingen spoedig een einde zou komen, als zij wat minder streng aan hun beginselen vast hielden. Zij konden heel goed Christenen blijven, zonder zich van de andere Joden te scheiden; en het onderhouden van de Joodse instellingen, die toch door God Zelf gegeven waren, zou hun geen kwaad doen, en hen verlossen van de haat en de tegenstand van de Joden, zodat zij voortaan in het rustig bezit van hun vrijheid en bezittingen konden blijven. Aan deze verzoekingen van satan leenden zij het oor, en daardoor verkeerden zij in een ontzaglijk groot gevaar. Hoewel dit natuurlijk niet in hun bedoeling lag, zo zou toch, als zij deze raad opvolgden, het noodzakelijk gevolg zijn, dat zij het Christendom prijsgaven, de Christelijke leer gingen verwerpen, het bloed van Christus onrein achtten en de Geest van de genade smaadheid aandeden; en hiervan zou weer het gevolg zijn, dat zij het enige slachtoffer voor de zonden verwierpen, zodat er geen slachtoffer voor hun zonden meer overbleef, en hun alzo niets anders zou te wachten staan dan het vreselijk oordeel van God en de felheid van het vuur, dat de tegenstanders verslinden zal.

Paulus, die de listen van satan en de zwakheid van het vlees kende, en die door het licht van de Geest de ontzettende gevolgen van de afwijking van de waarheid levendig voor zich had, gevoelt zich gedrongen om hen te waarschuwen en hen te smeken hun vrijmoedigheid toch niet weg te werpen, maar veeleer de trage handen en de matte knieën weer op te richten, en rechte paden voor hun voeten te maken, opdat het kreupele niet ontwricht, maar veeleer genezen zou worden.

De wijze, waarop hij dit doet, is een nieuw bewijs voor de ingeving van de Heilige Geest. Zoals de apostel in de brief aan de Kolossers tegenover de Joodse en heidense filosofie de schoonheid en heerlijkheid van Christus, de Heer en de hoop van de heerlijkheid voor hun ogen schildert, zo stelt hij nu tegenover de grote mannen van het Oude Verbond de voortreffelijkheid en enige grootheid van Christus, tegenover de vele offeranden van de Mozaïsche eredienst het éne en algenoegzame offer van Christus, tegenover het Joodse priesterschap, dat een einde nam, het priesterschap naar de ordening van Melchizédek, dat blijft tot in eeuwigheid, en tegenover de aardse voorrechten de hemelse zegeningen.

Laat ons nog hier aan toevoegen een kort overzicht van de inhoud van deze belangrijke brief. De Goddelijke heerlijkheid en de lijdende, maar daarna verheerlijkte mensheid van Jezus zijn het fundament van de leer, die in deze brief ontwikkeld wordt. De eerste is de grondslag van het apostelschap van Christus, de tweede die van Zijn hogepriesterschap. In hoofdstuk 1 wordt de Goddelijke heerlijkheid, en in hoofdstuk 2 de verheerlijkte mensheid van de Christus voorgesteld, die evenwel, voordat Hij verheerlijkt werd, op Zich nam al het lijden en al de verzoekingen, waaraan zij onderworpen waren, die Hij kwam verlossen. Zo is Hij apostel en hogepriester van Zijn volk. Aan deze tweeledige heerlijkheid sluit zich een derde aan. De Messias is Hoofd als Zoon over Zijn huis. Dit huis zijn de gelovigen, tot wie de schrijver zich richt, als zij tenminste de roem van de hoop ten einde toe onwrikbaar zouden vasthouden, want de Hebreeërs waren in gevaar hun vrijmoedigheid te verliezen. Deze overweging leidt tot de vermaningen in hoofdstuk 3:7-4:13, door welke zij aangespoord werden om op de stem van de Heer acht te geven en zich niet te verharden, opdat zij de rust zouden ingaan, die er voor het volk van God overblijft. Van hoofdstuk 4:14-10:18 behandelt Paulus het hogepriesterschap, en, als noodzakelijk gevolg van de verandering van het priesterschap, de verandering van de wet en van het verbond. Hij beschrijft de waarde en de algenoegzaamheid van Jezus’ offer in tegenstelling tot de schaduwen van het Oude Verbond. De vermaningen, op deze leer gegrond, leiden tot het grote beginsel van de volharding van het geloof, dat ons in hoofdstuk 11 in de wolk van de getuigen uit het Oude Verbond wordt voorgesteld, welke rij van geloofshelden wordt gekroond door het voorbeeld van Jezus Zelf, Die ondanks alle hindernissen de loopbaan van het geloof heeft voleindigd, en ons doet zien, waar deze moeilijke maar heerlijke weg heen leidt. Van hoofdstuk 12 vers 3 spreekt Paulus uitvoerig over de beproevingen, die wij op de geloofsweg ontmoeten, en knoopt daaraan ernstige waarschuwingen en kostelijke vertroostingen vast voor hen, die in de weg van het geloof wandelen, en die door Gods genade, in zovele heerlijke betrekkingen staan en zovele kostbare beloften ontvangen hebben. In het 13e hoofdstuk richt Paulus verscheidene vermaningen tot de gelovigen omtrent enkele bijzondere punten, en dringt er tenslotte met alle ernst bij hen op aan, dat zij met beslistheid het Christelijk standpunt onder het kruis zouden innemen, daar de Christenen uitsluitend de ware eredienst bezitten, aan welke allen, die in het Jodendom willen blijven, geen recht hadden deel te nemen. Met één woord, de Heilige Geest wilde dat de gelovigen zich geheel en voorgoed zouden scheiden van het Jodendom, dat reeds geoordeeld en de verdwijning nabij was, en dat zij met vreugde zouden aangrijpen de hemelse roeping, die hun voorgesteld was.

J.N. Voorhoeve

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW