3 jaar geleden

Uit het ABC van de christen (7)

Achaz en Hizkia

2 Kronieken 28 en 29

Door de koningen Achaz en Hizkia – vader en zoon – tegenover elkaar te stellen, mogen verdere waarheden over het huis van God en ons gedrag daarin duidelijk voor ons worden. Achaz, de vader, was een door en door religieus man. Telkens weer zien we hem iets doen wat zijn religieuze overtuiging hem opdroeg, hoeveel het hem ook kostte. Hij offerde er zelfs zijn eigen zonen aan op.

Maar daarbij verliet hij de Heer, de levende, ware God van Israël, en Zijn dienst, en was daarin trouwer dan enige koning van Juda vóór hem. Door hem werd op de meest overduidelijke wijze tot uitdrukking gebracht, dat religie en geloof in God twee fundamenteel verschillende begrippen zijn. Religie is een uitwas van het menselijke, natuurlijke hart en verstand – maar het geloof is uit de prediking, maar de prediking is door het Woord van Christus (Rom. 10:17). Waar religie zich ook probeert te mengen met het geloof in het Woord van God, verzet het zich er niet alleen tegen maar het belemmert de gelovige eerder om de aanbidding van God uit te oefenen volgens de gedachten van God: Achaz vernielde de gebruiksvoorwerpen van het huis van God die nodig waren voor de aanbidding van God volgens de gedachten van God in die tijd en sloot de deuren van het huis van de Heer (2 Kron. 28:24)!

Werpt dit niet ook een helder licht op de toestand in het christendom? Religie naar het vlees, die zich hier in christelijke vormen hult, heeft zich verspreid en wortel geschoten. Het sluit zelfs de deuren voor de ware christenen die ermee verbonden zijn, en verhindert hen hun plaats in te nemen in het geestelijke huis van God volgens de Schrift, om als geheiligde vaten de Hem welgevallige aanbidding van God uit te oefenen. Net als de meerderheid van Gods volk in de tijd van Achaz, lijken veel christenen vandaag de dag niet te overwegen of de opvatting van aanbidding, van christendom, van godsdienst waarin zij zijn opgegroeid of die zij aanvaarden, werkelijk overeenstemt met de wil van God die in de bijbel tot uitdrukking komt. Zij verzuimen “dagelijks de Schriften te onderzoeken of deze dingen zo waren” (Hand. 17:11). Het is voor hen voldoende om geestelijke leiders te volgen die volgens de heersende trends zijn opgeleid in de christelijke traditie en filosofie. Of ze volgen de predikers van de meest uiteenlopende geloofsovertuigingen, ja, zelfs dwaalgeesten en valse leraren, als die maar overeenkomen met hun eigen mening over het christendom.

Laten we niet vergeten, dat elke christen persoonlijk verantwoording schuldig is aan God, zowel met betrekking tot zijn praktische wandel als met betrekking tot het gemeenschappelijke getuigenis van de gelovigen om in het Woord van God naar Zijn wil te zoeken (Rom. 12:1-2; Ef. 4:13-15; 5:10; 2 Tim. 2:19, enz.).

Hizkia, de zoon van Achaz, handelt volledig anders dan zijn vader. Zodra hij op de troon van Juda zat, reeds in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, begon op zijn bevel een herstelwerk: hij opende de vergrendelde deuren, reinigde het huis van de Heer, liet het gebroken vaatwerk herstellen en herstelde de dienst van God. Alles wat niet in de tempel thuishoorde, alle onreinheid, liet hij uit het heiligdom verwijderen. Met grote vastberadenheid en energie maakte hij zijn volk duidelijk dat hij in deze zaken de weg van de trouw wilde volgen.

De genade van God had in de jonge koning reeds de vrees voor de Heer, een levend geloof in Hem en een persoonlijke onderwerping aan Zijn Woord bewerkt. Toen het zijn beurt was om een grote verantwoordelijkheid op zich te nemen, was hij daarom in staat en van harte bereid om de hem door God gegeven taak te vervullen, “door de woorden van de HEERE” (2 Kron. 29:15), overeenkomstig “het gebod gegeven door de hand van de HEERE” (29:25) en om de dienst van het huis van de HEERE te herstellen, “dat wat God voor het volk tot stand gebracht had” (29:35,36).

Dat wij allen, in deze laatste dagen van christelijk getuigenis op aarde, meer van de liefde van David voor het huis van God, en meer van de bijbelse ijver van Hizkia zouden hebben, om ons te reinigen en te bevrijden van alles wat de mens van het huidige huis van God heeft gemaakt. Alleen zo zullen wij “vaten tot eer” zijn, “geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid” (zie 2 Tim. 2:21). Alleen zo kunnen wij God een dienst aanbieden die Hem welgevallig is. Ja, waren we maar allemaal zulke “mensen naar het hart van God”!

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1962 – Bladzijde 94; auteur: Uit het ABC van de christen

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW