Timotheüs
Het beeld van het leven van Timotheüs, dat door de Heilige Geest in het Woord van God is opgetekend, is voor ons vol lering en bemoediging! Hij had dezelfde gevoelens als wij, leefde in dezelfde verdorven wereld als wij, was onderworpen aan dezelfde verleidingen als wij, maar wat kon God van hem maken omdat hij zich onvoorwaardelijk en volledig aan Hem overgaf!
Ongeveinsd geloof
Timotheüs, die in de streek van Lystra in Klein-Azië woonde, was de zoon van een Joodse vrouw maar van een Griekse vader (Hand. 16:1). Reeds in zijn grootmoeder Loïs en daarna ook in zijn moeder Eunice had een ongeveinsd geloof gewoond, die datgene aangrepen wat zij door de wet en de profeten van God kenden (2 Tim. 1:5).
Zij voedden Timotheüs op in overeenstemming met het licht, dat zij bezaten. Hij kende de “heilige schriften” van het Oude Testament van jongs af aan (2 Tim. 3:15) en dit ongeveinsde geloof, dat zich niet in dode vormen voor de mensen vertoont en een vroomheid veinst, die er niet is, schoot daarom ook in hem wortel. Dit geloof verlicht het geweten en brengt het hart in onmiddellijke en persoonlijke verbinding met God. De jongeman was bereid meer licht te ontvangen en de waarheid in alle dingen te gehoorzamen.
Timotheüs had een goed getuigenis bij de broeders
Barnabas en Paulus waren op een dag naar die streken gekomen en hadden daar voor het eerst het evangelie van Jezus Christus verkondigd. Gemeenten waren ontstaan in Iconium, Lystra en Derbe (Hand. 14).
Het lijkt erop dat Timotheüs toen al in contact kwam met de apostel, het evangelie uit zijn mond hoorde en het ontving. Paulus noemt hem later “[mijn] echt kind in [het] geloof” (1 Tim. 1:2). Deze uitdrukking kan er ook op wijzen, dat hij door de apostel werd ingeleid in alle diepe geheimenissen en leringen van het evangelie die aan Paulus waren toevertrouwd.
Toen de apostel tijdens zijn tweede zendingsreis deze gemeenten in Klein-Azië opnieuw bezocht, werd hij zich in het bijzonder bewust van de “discipel” Timotheüs (Hand. 16). Desgevraagd of op eigen initiatief gaven de broeders in Lystra en Iconium de man een goed getuigenis. Er was niets negatiefs te zeggen. Hij had dus geen band met de wereld en had geleerd te waken over de opwinding van het vlees. Daarom was de vrucht van de Geest ongetwijfeld zichtbaar in zijn leven: een opvallende belangstelling voor de waarheid en de dingen van de Heer, liefde tot de heiligen en de verlorenen, die zich uitte in voorbede en een levendige, actieve deelname aan het werk van de Heer.
Zou een dergelijk getuigenis ook aan ons gegeven kunnen worden of blijft het beperkt tot de laconieke opmerking: “Hij doet geen kwaad, maar ook geen goed”? Hoezeer hebben we vandaag jonge broeders als Timotheüs nodig!
Timotheüs als reisgenoot van de grote apostel
“Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken” (Hand. 16:3). Timotheüs had zich goed bewezen in zijn woonplaats, in de gemeente, waar zijn dagelijks leven voor iedereen zichtbaar was, en had blijk gegeven van een geestelijke gezindheid. Hij was “trouw geweest in het minste” (verg. Luk. 16:10); nu kon de Heer hem meer toevertrouwen. Hij was nu een metgezel van de grote apostel, maar zelfs daar was zijn geestelijke groei stapsgewijs. Zijn bediening begon onderaan, niet bovenaan.
Eerst bezochten zij reeds bestaande gemeenten om hen op de hoogte te brengen van de besluiten die in Jeruzalem waren genomen (Hand. 16:4). Dat was de taak van Paulus en Silas. Maar toen ze zich op nieuw terrein waagden, hadden alle metgezellen hun handen vol. De Heer zegende dit eerste zaaien van het Woord overal rijkelijk. Veel mensen, in elke plaats waar zij kwamen, ontvingen de boodschap van redding. Hoe veel klein werk moet er zijn geweest voor de zielen die tot geloof waren doorgedrongen! Elk van deze waarheidszoekers en pasgeborenen had zijn eigen speciale vragen en problemen die in een persoonlijk gesprek aan bod moesten komen.
Ook deze tweede reis van de apostel, waarop Timotheüs hem als nieuwkomer vergezelde, was geen wandeling in het park. Ook daar werden de boodschappers van het evangelie blootgesteld aan vervolging en mishandeling. Ten eerste waren er veel oefeningen in de richting die ze moesten inslaan. En toen zij de zekerheid kregen, dat zij het evangelie naar Europa moesten brengen en zij het werk daar begonnen, werden zij in elke stad vervolgd.
Timotheüs was een gevoelige jongeman (2 Tim. 1:4,6-8), en al deze ervaringen, die onophoudelijk op hem afkwamen, moeten een sterke indruk op zijn ziel hebben gemaakt. Een dergelijke instelling was eigenlijk een slechte voorwaarde voor hard pionierswerk in het heidense land. Daar voelt men alle weerstand en vijandigheid van de mensen veel dieper en is men geneigd al deze diepe oefeningen uit de weg te gaan. Maar Timotheüs hield vol. In zijn hart was oprechte toewijding aan de Heer, gehoorzaamheid en onderwerping aan Zijn wil. Voor al het andere zorgde de Heer. Hij houdt van werktuigen die, zich bewust van hun ongeschiktheid, volledig op Hem steunen en aan wie Hij overvloedige genade kan bewijzen.
Maar hoe was de ijverige en godvruchtige apostel toch zo’n grote hulp voor hem door zijn voorbeeld, zo’n duidelijke aanschouwelijke lering! Hij was geen bovenmenselijke held, maar in alle werk en alle situaties een zichtbare demonstratie van de kracht van de Heer in een zwak vat, dat echter met Hem vervuld was en onvoorwaardelijk tot Zijn beschikking stond. Paulus kon Timotheüs aan het einde van zijn loopbaan eraan herinneren: “Maar jij hebt nauwkeurig nagevolgd1 mijn leer, mijn wijze van doen, mijn bedoeling, mijn geloof, mijn lankmoedigheid, mijn liefde, mijn volharding, mijn vervolgingen, mijn lijden, zoals mij is overkomen in Antiochië, in Iconium, in Lystra, zulke vervolgingen als ik heb verdragen, en uit alle heeft de Heer mij gered” (2 Tim. 3:10,11). Ja, hoe lieflijk was de relatie tussen de apostel en zijn jonge metgezel! Timotheüs diende hem “zoals een kind zijn vader, met mij in het evangelie” (Fil. 2:22). En als een vader gaf Paulus hem in hartelijke genegenheid onderricht, raad en bemoediging en herinnerde hem telkens weer aan de overvloed van de genade en de rijke hulpbronnen in de Heer. Nee, deze “oude” en deze “jonge” broeder gingen niet ieder hun eigen weg. Ieder nam zijn plaats in; ieder was een grote hulp voor de ander.
Timotheüs als boodschapper en gevolmachtigde van de apostel
In deze hogeschool van ervaring met de Heer maakte de geestelijke groei van Timotheüs snelle vorderingen. Daarom kon de apostel hem al verrassend vroeg belangrijke speciale taken toevertrouwen.
Er zijn hier en daar jonge broeders geweest van wie de innerlijke geestelijke ontwikkeling geen gelijke tred kon houden met de drang tot activiteit, waaraan zij zich overgaven in een jeugdige overschatting van hun eigen bekwaamheid om te dienen. Als zulke mensen dienen, voelen de kritische broeders en zusters zich duidelijk ongemakkelijk.
Maar zo was het niet met Timotheüs; wij zullen zien uit de twee brieven van de apostel aan hem gericht, volgens welke navolgbare beginselen zijn belangrijke bediening plaatsvond.
Toen Paulus, op dringend advies van de broeders, Beréa verliet om zijn leven in veiligheid te brengen vanwege een felle golf van vervolging, bleven zowel Silas als Timotheüs achter om het begonnen werk voort te zetten en te versterken (Hand. 17:14,15).
Daarna, toen zij zich op bevel van de apostel in Athene bij hem hadden gevoegd, maakte Paulus zich grote zorgen over de jonge gemeente in Thessalonika. Vermoedelijk hadden deze twee de apostel verteld welke beproevingen de Thessalonikers te wachten stonden. Uiteindelijk kon hij “het niet langer uithouden” en stuurde hij Timotheüs, zijn “broeder en Gods medearbeider in het evangelie van Christus,” erheen om “hen te versterken en te vermanen aangaande hun geloof; opdat niemand wankelt in deze verdrukkingen” (1 Thess. 3:1-8). Timotheüs leek de juiste man hiervoor, en hij keerde spoedig naar hem terug met goed nieuws uit Thessalonika.
Vanuit Efeze in Klein-Azië stuurde de apostel Timotheüs met Erastus naar Macedonië om de gemeenten daar te bedienen, omdat hij er zelf nog niet heen kon (Hand. 19:22).
Tenslotte moet worden vermeld, dat Paulus hem ooit de belangrijke taak gaf om in Efeze te blijven, als zijn vertegenwoordiger in die behulpzame gemeente, waar de apostel drie jaar lang had gediend (1 Tim. 1:3). Er waren er die een “andere leer brachten.” Het was nodig hen aan te spreken en ervoor te zorgen, dat ieder op zijn plaats, de mannen, de vrouwen, de opzieners en ouderlingen, de dienaren, de rijken, alle broeders en zusters, zich in het huis van God gedroegen zodat het met de verordeningen en de waarheid van God overeenstemde.
Wat een verantwoordelijke taken, die een nauwkeurige kennis van de gedachten van God, een grote innerlijke standvastigheid in het geloof en een trouw vaststaan in de Heer vereisten! Zonder deze dingen zou de genadegave van God aan hem niet hebben volstaan.
Er waren jaren verstreken sinds de bekering van Timotheüs. Hij was innerlijk rijkelijk gegroeid en kon nu overal door de Heer ingezet worden. – Ook voor ons gaan de jaren voorbij, maar moet Hij niet tot deze of gene persoon roepen: “… terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert <wat> de elementen van het begin van de uitspraken van God <zijn>” (Hebr. 5:12).
Waaraan ligt dat?
Persoonlijke vermaningen aan Timotheüs
Wij kunnen het antwoord op de zojuist gestelde vraag vinden als wij onszelf onderzoeken om te zien of wij van onze kant de persoonlijke vermaningen van de apostel in de twee brieven aan Timotheüs ter harte hebben genomen en gehoorzaamd zoals die trouwe broeder deed.
Timotheüs heeft deze vermaningen ongetwijfeld ook mondeling ontvangen tijdens de jaren van samenwerking met Paulus. Tot zijn hulp en opdat zij ook voor ons tot zegen zouden zijn, zijn zij hier op schrift gesteld. We kunnen er maar kort enkele ervan noemen.
- “… terwijl je [het] geloof behoudt en een goed geweten” (1 Tim. 1:19).
Met “geloof” wordt hier bedoeld de hele christelijke leer die het geloof aanvaardt en vasthoudt. Timotheüs moest voor dit geloof strijden (vs. 18). Maar hij kon dat alleen doen als hij een goed geweten had, wat afhangt van een gereinigd hart, niets voor God te verbergen heeft en zichzelf dus niets te verwijten heeft (Hebr. 10:22). Wie schipbreuk lijdt in het geloof, valse leerstellingen aanneemt en verkondigt, heeft tevoren het goede geweten van zich gestoten (1 Tim. 1:19,20). - “Laat niemand je jeugdige leeftijd verachten, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in reinheid … Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd” (1 Tim. 4:12; 2 Tim. 2:22).
Timotheüs, door de apostel gemachtigd om zo’n belangrijk ambt in de gemeente uit te oefenen, had al zijn inspanningen vruchteloos kunnen maken en alles kunnen bederven door toe te geven aan jeugdige overmoed of door op enigerlei wijze de morele reinheid te missen. Maar omdat zijn woord overeenkwam met zijn gedrag en hij voor de gelovigen een voorbeeld van liefde en geloof was, werd hij serieus genomen en had zijn woord gewicht, ook al was hij nog geen grijsharige broeder. - “Behartig deze dingen, leef daarin2, opdat aan allen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt” (1 Tim. 4:15).
Timotheüs kon alleen zoveel vorderingen maken in de dingen van God, omdat hij zich er met heel zijn hart aan wijdde. Hij overwoog al deze dingen zorgvuldig; ze hadden zijn hele belangstelling en hij leefde daarin. – Wat zijn onze interesses? Waar houden wij ons hart mee bezig? - “Geef acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen, want door dit te doen zul je zowel jezelf als hen die je horen, behouden” (1 Tim. 4:16).
Timotheüs moest zich niet alleen met het oog op anderen met het Woord bezighouden, maar het eerst op zichzelf toepassen, zodat zijn innerlijke toestand overeenkwam met zijn leer. – Wanneer iemand tot een dienst wordt geroepen, wordt er een grote verantwoordelijkheid op hem gelegd. Deze dienst – hoe onopvallend ook, misschien een getuigenis voor de Heer tegenover een naaste – staat niet buiten de sfeer van het persoonlijke leven, maar is er nauw mee verbonden. Wat was de apostel zelf hierin een indrukwekkend voorbeeld voor Timotheüs! (verg. 1 Kor. 9:27; 2 Kor. 6:4-6; Fil. 3:17, enz.). - “… ontvlucht deze dingen (geldzucht) en jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid” (1 Tim 6:11).
Om Timotheüs, die zo’n duidelijk bewijs had gegeven van zijn aanhankelijkheid aan de Heer, op zo’n manier te vermanen lijkt ons misschien overbodig. Maar hoe gemakkelijk kan het zichtbare weer invloed krijgen! Het is daarom noodzakelijk om de liefde voor geld te ontvluchten. Waren wij maar zo dicht bij de Heer Jezus, dat Hij als een magneet op al onze genegenheden zou werken en dat wij met ijver zouden streven naar de hier opgesomde dingen, die de vrucht van de Geest zijn! (Gal. 5:22).
We zijn aan het einde gekomen van onze kleine beschouwing. Tot slot willen wij nog wijzen op de trouw van deze man, die hem te allen tijde kenmerkte. Toen “allen die in Asia zijn” zich hadden afgewend van de gevangen apostel, toen niemand hem hielp in zijn eerste verantwoordelijkheid voor de keizer en allen hem in de steek lieten (2 Tim. 1:15; 4:16), kon hij nog steeds rekenen op Timotheüs. Hij bleef van harte verbonden met Paulus en in zijn geest van kracht, liefde en bezonnenheid (2 Tim. 1:7) zette hij de dienst en de goede strijd voor de waarheid voort.
Moge het voorbeeld van deze jonge broeder een stimulans voor ons zijn, ook al heeft de Heer ons een veel bescheidener werkterrein toegewezen!
© www.haltefest.ch
Jaargang: 1962 – Bladzijde 248; auteur: Uit het ABC van de christen.
Geplaatst in: Christendom, Geloof
© Frisse Wateren, FW