20 jaar geleden

Ruth (27)

Wacht op de Heer: gehoorzaamheid en onderworpenheid

Ruth 3:3-10: “3 Zo baad u, en zalf u, en doe uw klederen aan, en ga af naar de dorsvloer; [maar] maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. 4 En het zal geschieden, als hij neerligt, dat u de plaats zult merken, waar hij zal neergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetendek op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult. 5 En zij zei tot haar: al wat u [tot] [mij] zegt, zal ik doen. 6 Alzo ging zij af naar de dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had. 7 Toen nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neer te liggen aan het uiterste van een [koren] hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetendek op, en legde zich. 8 En het geschiedde te middernacht, dat die man verschrok, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetendek. 9 En hij zei: Wie bent u? En zij zeide: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser. 10 En hij zei: Gezegend bent u de HEERE, mijn dochter! U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk”.

“… doe uw klederen aan, en ga af naar de dorsvloer”.

Kleren stellen ons onze gewoonten, onze hele levenshouding als Christen voor. God heeft ons in Christus heerlijk bekleed, waardig Hemzelf in de Geliefde. Maar Hij stelt ons ook kleren ter beschikking die wij moeten aantrekken: “Doet dan aan als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden: innige ontferming, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid” enzovoorts (Kolosse 3:12). Deze kleding is passend voor Christenen. Het Woord van God beschrijft echter ook kleren die wij niet moeten dragen: mannenkleding door een vrouw, vrouwenkleding door een man, evenals kleding van gemengde stof (Deuteronomium 22:5+11). Wollen en linnen gemengd wijst deels op Christelijke, deels op wereldlijke principes. Onze kleren, de uiterlijke verschijningsvorm van ons persoonlijk Christendom, kunnen wel bezoedeld en bevlekt zijn, maar daarvan zeer verschillend is toch een kleed uit tweeërlei stof. Zoiets zien wij bij Lot, terwijl de wandel bij Abraham en zelfs bij Jakob wel bevlekt, maar niet door gemengde principes werd gekenmerkt.

Een bruid versiert zich om de bruidegom te behagen. Zo moeten wij ons voor de Heer Jezus versieren tot Zijn roem en tot eer en verheerlijking van Zijn naam. Wanneer dat de vreugde voor onze harten is, dan zullen wij Zijn waardering hebben en zullen Hem welgevallig zijn.

Aan Zijn voeten

“… en sla zijn voetendek op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult”.

Aan de voeten van de Heer Jezus is een gezegende plaats. De vrouw in Lukas 7 stond wenend achter Zijn voeten. Maria zat aan Zijn voeten (Lukas 10:39). Ruth moest zich aan de voeten van Boaz neerleggen. Lieve lezer, kent u de plaats aan de voeten van de Heer Jezus in deze drie betekenissen? Hebt u al “achter Zijn voeten staand” uitdrukking gegeven aan uw berouw en belijdenis omdat u uw zonden beweende die Hem zo onzegbaar veel lijden en smarten, het verlaten-zijn van God en de dood aan het kruis op Golgotha hebben aangebracht? Dan kunt u ook, evenals Maria, aan Zijn voeten zitten en naar Zijn Woord luisteren. aan Zijn voeten zittend, kunnen wij van Hem genieten omdat wij Zijn Woord opnemen. Het liggen aan de voeten van Boaz betekent bescherming in de nacht, zekerheid en geborgenheid, zoals hij al in het vorige hoofdstuk tegen Ruth zei:”De God Israëls, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen”. Kinderen van God kennen de toevlucht onder de schaduw van Zijn vleugels. Daar is gelukzaligheid.

Leer mij Uw weg

“… zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult”.

In Psalm 32 staat: “Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn”. Daartoe is nodig onze afhankelijkheid van Hem. Jakobus leert ons dat wij bij al onze voornemens op de wil van de Heer moeten letten. “In plaats van te zeggen: als de Heer het wil en wij leven, zullen wij dit of dat doen” (Jakobus 4:15). Wij moeten alles met de Heer Jezus doen, vooral wanneer het gaat om een dienst voor Hem. Daarover is de weg in Zijn Woord klaar en duidelijk opgetekend. Bij iedere beslissing mogen wij op onze knieën gaan en vragen: “Heer Jezus, toon mij Uw weg die ik moet gaan”.

Ook onze jonge broeders en zusters kunnen en moeten geestelijk zijn. Dat betekent zich in alles door de Heer door de Geest, en niet door eigen natuur leiden laten; zelfs in de natuurlijke dingen niet. Dan is iedere weg eenvoudig en duidelijk. Maar onze eigen ervaring leert ons dat de vijand juist dan zijn listen inzet, om ons van de afhankelijkheid van de Heer af te brengen.

Wacht op de Heer

Het gevaar door onze natuur te worden misleid, dreigt op bijzondere wijze in verbinding met de keus van de echtgenoot. Ook afgezien van elk ongelijk juk volgens 2 Korinthe 6, is elke zuiver natuurlijke beslissing, die vanuit uiterlijk of materieel gezichtspunt genomen wordt, vleselijk. “De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; [maar] een vrouw, die de HEERE vreest, die zal geprezen worden” (Spreuken 31:30). Dat geldt in ieder opzicht. Maar in de eerste plaats: God brengt nooit onrijpe mensen bij elkaar! Zoals in de natuur alles tot rijpheid moet komen, zo moet er ook in het leven een zekere rijpheid zijn. Geliefde jonge broeders en zusters, wacht in alles op de Heer. Juist dan, wanneer jullie nog jong zijn, wacht. Wachttijd zal veel duidelijk maken. Stil wachten voor de Heer zal nooit tot schade zijn. De verhoudingen zoals die in de wereld – en helaas ook vaak onder de gelovigen – gewoon zijn, voeren meestal tot oneer van de Heer en zijn vaak de oorzaak van levenslange nood in het huwelijk.

De plaats aan de voeten van Jezus is geen plaats voor onze natuur. Zij kan alleen door hen op zijn juiste waarde geschat worden, die bereid zijn hun medegestorven-zijn met de Heer Jezus te verwerkelijken. Het is echter een gezegende plaats. Juist daarom wenst onze ware Boaz dat wij haar onophoudelijk zouden willen innemen.

Gehoorzaamheid

Met de woorden: “Al wat u [tot] [mij] zegt, zal ik doen”, ging Ruth de dorsvloer af en deed naar alles wat haar schoonmoeder haar had geboden. Naómi, de teruggekeerde, is een lerares van het goede geworden. Zij was in staat om haar schoondochter aanwijzingen voor haar verdere weg in verbinding met Boaz te geven, om haar rust te zoeken. Het is een groot voorrecht wanneer oude broeders en ook zusters voorhanden zijn, die de jongeren kunnen onderwijzen. Maar hoe lieflijk is ook de gehoorzaamheid van Ruth, die jonge broeders en zusters tot voorbeeld dienen kan.

Boaz ontdekt Ruth

Dan komt het ogenblik dat Boaz Ruth ontdekt. Het vrouwelijke in de Schrift is een beeld van de praktische toestand; daarom kunnen wij goed begrijpen wat het voor het hart van de Heer Jezus is, onder Zijn volk hen te ontdekken die ten opzichte van hun verantwoordelijkheid bereid zijn, de plaats aan Zijn voeten in te nemen. Met zulk een toestand kan Hij zich volkomen één maken.

“En hij zei: Wie bent u?” De Heer Jezus vraagt ook ons op Zijn tijd: Wie bent u? Weliswaar kent Hij ons door en door. Maar Hij wil dat ook wij zelf er ons van bewust zijn wat wij “in Hem” en voor Zijn hart zijn. Hoe lieflijk is het antwoord van Ruth: “Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser”. Zij noemt zich dienstmaagd van Boaz. Zij herinnert hem ook aan de familiebetrekkingen waaraan voor haar beloften van God verbonden waren, op grond waarvan haar weduwschap moest worden beëindigd. Van de kant van Ruth is alles vertrouwen – van de kant van Boaz overstromende genade.

Onderworpenheid

“U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste”.

De eerste weldaad had Ruth aan de gestorvene en aan Naómi bewezen. Zij had haar land en volk verlaten om haar schoonmoeder in ware liefde en trouwe zorg te volgen. Daarin zocht zij al de God van Israël omdat zij Zijn gebod vader en moeder te eren, vervulde. En de laatste, nog betere weldaad lag ongetwijfeld in het zich richten tot Boaz en en in de verwachting dat hij zijn vleugel over haar zou uitbreiden. Wij zien dat beide op een prachtige wijze voortkwam uit onderworpenheid waarmee Ruth de aanwijzingen van Naómi opvolgde.

Wordt D.V. vervolgd.

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament), tenzij anders vermeld.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW