Wie kent de uitspraak niet “kleren maken de man”? Afhankelijk van de gelegenheid stem je je kledingkeuze daarop af. Je wilt toch goed voor de dag komen en een goede indruk maken? Er is een man in het Oude Testament die wel heel specifieke kledingvoorschriften had voor een heel speciale taak. In Exodus 28 en 39 lezen we over de kleding van de priesters en, daar gaat dit artikel over, met name de kleding van de hogepriester.
Aäron was hogepriester en had een uitzonderlijke en voorname plaats boven de andere priesters. Zoals heel veel dingen in het Oude Testament afbeeldingen zijn van de hemelse dingen, is Aäron een afbeelding van de ware Hogepriester: de Heer Jezus. Op diezelfde manier is de tabernakel en de tempel in het Oude Testament een beeld van het ware heiligdom: de hemel. Hoewel hier boeken vol over geschreven kunnen worden, zullen we hier in dit artikel niet al te diep op in gaan. We noemen het alleen omdat dit gelijkenis de rode draad vormt door dit artikel. Omwille van de leesbaarheid en toegankelijkheid van het artikel, zullen we heel veel prachtige dingen slechts aanstippen om de lezer op het spoor te zetten om zelf over deze onderwerpen na te denken en onderzoek te doen.
1. Het beeld van de hogepriesterlijke kleding
In Exodus 28 vers 2 lezen we: “Dan moet u voor uw broer Aäron geheiligde kleding maken om hem waardigheid en aanzien te geven.” Letterlijk: tot heerlijkheid en sieraad. Door het dragen van de hogepriesterlijke kleding, kreeg Aäron dus waardigheid en aanzien. Hoe kan het ook anders omdat hij, door het dragen van de hogepriesterlijke kleding, een beeld was van de Heer Jezus. In Hebreeën 7 vers 28 staat: “Want de wet stelt als hogepriesters mensen aan die zwakheid hebben, maar het woord van de eedzwering, die na de wet [gekomen] is, [stelt de] Zoon, die tot in eeuwigheid volmaakt is.” Dat betekent dus dat elk stuk van de hogepriesterlijke kleding, ons iets verteld van de Persoon en het werk van de Heer Jezus.
In Exodus 28 vers 4 wordt een opsomming gegeven van de kledingstukken die horen bij de hogepriesterlijke kleding:
- Een borsttas.
- Een efod.
- Een bovenkleed.
- Een onderkleed.
- Een tulband.
- Een gordel.
2. Het materiaal voor deze hogepriesterlijke kleding
Direct volgend op vers 4, lezen we in vers 5 van welk materiaal de hogepriesterlijke kleding gemaakt moest worden. Achtereenvolgend wordt genoemd:
- Goud. Het goud spreekt van de heerlijkheid van de Heer Jezus.
- Blauwpurper. Het blauwpurper spreekt van het hemelse karakter en de hemelse oorsprong van de Heer Jezus.
- Roodpurper. Het roodpurper is een koninklijke kleur en spreekt van de Heer Jezus als Koning.
- Scharlakenrode wol. Het scharlakenrode wol spreekt van het lijden, het verzoenende bloed van de Heer Jezus, wat voor ons gevloeid heeft op het kruis van Golgotha.
- Fijn linnen. Het fijn linnen spreekt van de heiligheid en reinheid van de Heer Jezus.
In de verzen 6 tot en met 8 lezen we vervolgens hoe het efod wordt gemaakt van deze materialen. Ook het bovenkleed (vers 31 tot en met 35) en het onderkleed (vers 39 tot en met 43) worden van deze materialen gemaakt. Als we het, in alle eerbied, zo mogen zeggen, de hele outfit van de hogepriester sprak van die enige ware Hogepriester: de Heer Jezus. In vers 36 tot en met 38 lezen we vervolgens ook nog van een gouden plaat die aan de tulband wordt vastgemaakt. Deze gouden plaat draagt de gravering “DE HEILIGHEID VAN DE HEERE”. Hoe treffend is dit een beeld van de Heer Jezus.
3. De edelstenen
Zoals je misschien gemerkt hebt, hebben we een heel stuk overgeslagen. Namelijk vers 9 tot en met 30 waarin de schouderstenen en de met edelstenen bezette borsttas wordt beschreven. Dit is nu net het gedeelte waar dit artikel met name op gericht is.
Voordat we verder gaan is het goed om op te merken dat in dit artikel voor de teksten uit het Oude Testament gebruik gemaakt is van de Herziene Statenvertaling en dat voor de teksten uit het Nieuwe Testament gebruik gemaakt is van de Telos vertaling. In andere vertalingen kunnen de namen van de stenen anders genoemd worden, echter van belang is hier het beeld dat ze geven.
Laten we bij het begin beginnen. In vers 9 lezen we dat er twee onyxstenen genomen moeten worden waarin de namen van de zonen van Israël (de twaalf stammen) gegraveerd moeten worden. Zes namen in de ene steen en zes namen in de andere steen. De stenen zijn gevat in gouden kassen (zie het als een soort frames of houders) lezen we in vers 11. In vers 12 lezen we vervolgens: “Dan moet u de twee stenen op de schouderstukken van de efod bevestigen, als gedenkstenen voor de Israëlieten. Aäron moet hun namen namelijk ter nagedachtenis voor het aangezicht van de HEERE op zijn beide schouders dragen.”
In de verzen 15 tot en met 30 wordt de borsttas beschreven tot in elke bijzonderheid. Het is niet de bedoeling in dit artikel op alle bijzonderheden in te gaan, maar we zullen ons beperken tot een paar bijzonder mooie aspecten. In de eerste verzen van dit gedeelte lezen we, dat er 12 verschillende edelstenen worden gebruikt. In vers 21 staat vervolgens: “En de stenen moeten twaalf in getal zijn, overeenkomstig de namen van de zonen van Israël, overeenkomend met hun namen. De stenen moeten zegelgraveringen krijgen, ieder met zijn naam. Zij zijn voor de twaalf stammen bestemd.” Dit houdt dus in, dat elke stam zijn eigen steen had die paste bij het karakter van de stam. Elke steen en dus ook elke stam is kostbaar en bijzonder op zijn eigen manier. Daarom lezen we in vers 29: “Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël op de borsttas van de beslissing, op zijn hart dragen, als hij in het heiligdom binnenkomt, tot een voortdurende gedachtenis voor het aangezicht van de HEERE.”
Wanneer Aäron de tabernakel inging naar het heilige der heiligen, droeg hij dus de namen van alle stammen op zijn schouders en op zijn borst en bracht hij zo het hele volk voor het aangezicht van God. Deze priesterkleding moest generaties lang meegaan en van hogepriester op hogepriester overgaan. In 1 Koningen 6 en 7 lezen we hoe Salomo de tempel voor de Heer bouwde en hoe geweldig dit bouwwerk eruit zag. Elk detail van de tabernakel en van deze tempel spreekt van het hemelse heiligdom. De gehele binnenkant was met goud overtrokken (beeld van de heerlijkheid van de Heer Jezus) wat verlicht werd door de gouden kandelaren die dag en nacht branden op olie (een beeld van de Heilige Geest). Stel je eens voor hoe het geweest is voor een hogepriester om zo’n schitterend heiligdom binnen te gaan in zijn priesterkleren. Het licht van de brandende kandelaren weerkaatsend op het goud en de edelstenen op zijn borst en schouders. Zoveel prachtige fonkelingen en kleuren welke schitterden op zijn schouders en borst. En zo liep hij het heilige door naar het heilige der heiligen. De plek waar het verzoendeksel stond en waar de ontmoeting met God plaatsvond. Wat zou de hogepriester hebben gedacht en gevoeld wanneer hij zo door het heilige liep en al die schitteringen en weerkaatsingen zag?
Zoals gezegd is de hele aardse priesterdienst en het bijbehorende heiligdom een beeld van de hemelse priesterdienst en het hemelse heiligdom. Hoe kostbaar is het om te weten dat onze hemelse Hogepriester, de Heer Jezus, elk van ons persoonlijk kent en met elk van ons persoonlijk begaan is. Hij draagt ons op Zijn schouders en vergeet niet één van de Zijnen. Zoals alle stammen en dus het hele volk gegraveerd stonden in de schouderstenen van de aardse hogepriester, zo draagt onze hemelse Hogepriester Zijn hele gemeente op Zijn schouders en geen naam die overgeslagen wordt. Zo is het ook met de stenen op de borst. De Heer Jezus draagt een ieder van ons persoonlijk op Zijn borst voor het aangezicht van Zijn Vader. Ieder persoonlijk gekend, gekoesterd en liefgehad door Hem! Als we het in eerbied en met een gelijkenis mogen zeggen, zoals in het aardse heiligdom de stenen schitterden op de borsttas en de schouders van de hogepriester zo mogen wij schitteren op de schouders en de borst van de Heer Jezus in het hemelse heiligdom. Zoals de aardse hogepriester op zijn borst voor iedere stam een unieke steen had met de naam van de stam, zo draagt de Heer Jezus ons op Zijn borst, aan Zijn hart. Iedere gelovige als het ware een andere, unieke, bijzondere steen die zijn eigen schoonheid kent en op zijn eigen manier schittert.
Nu denk je misschien: mooi verhaal, maar dit ervaar ik helemaal niet zo. Je moest eens weten wat een zooitje mijn leven is. Je moest een weten hoe ik worstel met pijn, verdriet, zorgen, ziekte, eenzaamheid, verleiding, verslaving, (verborgen) zonden, met de Heer of vul maar in waar je mee worstelt. De Heer kent onze worstelingen en laat ons niet vallen. Hij vraagt ons alleen om ons, hoe zwak en met moeite en strijd soms ook gepaard, aan Hem vast te klampen en ons oog op Hem gericht te houden. Laten we eens lezen wat de Bijbel erover zegt:
Romeinen 6 vers 8-11: “Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten dat Christus, nu Hij uit [de] doden is opgewekt, niet meer sterft: [de] dood heerst niet meer over Hem. Want wat Hij is gestorven, is Hij eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven, maar wat Hij leeft, leeft Hij voor God. Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.”
Galaten 3 vers 26-27: “… want u bent allen zonen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan.”
Hebreeën 4 vers 14-16: “Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden. Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Één] die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde. Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.”
Openbaring 2 vers 17: “Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.”
We zien vaak alleen maar onze tekortkomingen en ons falen, zoals de oneffenheden die soms in edelstenen zitten als je er met een microscoop op inzoomt. Vaak zijn wij zo gefixeerd op die oneffenheden, dat we de schoonheid van de kostbare steen, die wij als het ware mogen zijn, niet meer zien. En dan zien we niet alleen die schoonheid en kostbaarheid niet, maar we zien ook niet welke plek we hebben op de borst en aan het hart van de Hogepriester. Onze Hogepriester is ook onze Schepper. Zoals een diamantair een edelsteen bestudeert, want elke steen is uniek, en op basis van de eigenschappen van de steen deze slijpt, zo worden wij door onze Schepper als het ware ook geslepen. Alles wat we meemaken in ons leven, de mooie en moeilijke dingen, wil Hij gebruiken om ons te vormen tot Zijn eer en om ons te laten groeien in onze relatie met Hem. Hij kent ons door en door en weet precies hoe Hij ons het beste kan slijpen zodat we het beste tot ons recht komen en op het mooist mogen schitteren voor Hem. Net als elke steen uniek is, is ook elk mens uniek. Wat een wonder vind je ook niet? Zoals elke steen op het borstschild van de hogepriester een eigen plek had met zijn eigen schoonheden en schitteringen, zo mogen wij ook op onze eigen plek met onze eigen talenten in onze eigen omgeving schitteren voor onze Hogepriester. Laten wij ons slijpen door onze Schepper, zodat we meer van Hem mogen leren en op Hem mogen gaan lijken? Wanneer wij op Hem lijken en Zijn licht ons bestraalt (denk aan de kandelaren in het aardse heiligdom) zullen wij Zijn licht uitstralen naar de wereld om ons heen. Zoals een edelsteen fonkelt en al zijn schoonheid laat zien wanneer er licht op valt, zo mogen wij in deze wereld de heerlijkheden van de Heer laten zien door ons leven.
* * *
In Gods heerlijkheid gekomen,
draagt U, grote Priestervorst,
al de namen van Uw vromen
op Uw schouders, op Uw borst.
Voor hen leeft U bij de Vader,
brengt hen ’t Vaderhuis steeds nader,
daar U nimmer hen vergeet,
voor hen tussenbeide treedt.
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW