15 jaar geleden
In den beginne [5] – Genesis 1 en 2 (vervolg deel III)
In het tweede deel van “In den beginne” over Genesis 1 en 2 hebben we in het bijzonder gekeken naar de eerste beide verzen van het eerste hoofdstuk. We hebben gezien dat de eerste schepping van God een beeld is van de nieuwe schepping, die voor Christenen als geestelijke toepassing met de nieuwe geboorte verbonden kan worden. In dit deel willen we met dit als achtergrond de verschillende scheppingsdagen beschouwen.
6 WERKDAGEN
Met Genesis 1 vers 3 begint de beschrijving van de zes dagen, waarin God “volbracht de hemel en de aarde, en al hun heer” (Genesis 2:1).
Scheppingsdagen of hersteldagen?
SCHEPPEN
- Vinden we in Gensis 1 vers 3-31 “de schepping van de aarde”? In vers 1 is inderdaad van “scheppen” sprake, maar niet vanaf vers 3, waar met uitzondering van de schepping van grote zeemonsters {walvissen – Staten Vertaling – vertaler} en van de mens andere begrippen (“maken”, “worden”, …) gebruikt worden. De uitdrukking: “Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heer” in hoofdstuk 2 vers 1 schijnt samenvattend betrekking te hebben op hoofdstuk 1 vers 3-31. Dat sluit de hemel (1:8) en de aarde (1:10) zowel de hemellichamen (1:14-19) en de bewoners van de aarde (1:20 en volgende) mee in. In hoofdstuk 2 vers 3 staat: “En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op daarop gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken”. Inzoverre mogen wij het begrip schepping op het totale hoofdstuk betrekken.
MAKEN
- Het werk vanaf vers 3 – dus de nu genoemde zes dagen waarin God de aarde “maakte” – wordt soms ook het “herstel van de aarde” genoemd. Daarmee bedoelt men dat God dat, wat Hij geschapen heeft (daarvan leest men in vers 1), weer uit de duisternis en het water tevoorschijn gehaald heeft ((daarvan leest men vanaf vers 3).
BEWOONBAAR MAKEN
- Weliswaar schijnt het “maken”, waarmee men vanaf vers 3 te doen heeft, niet zozeer een tevoorschijn halen van dat te zijn, wal al bestaan heeft – God zegt niet, hoe dat er uitzag, wat hij in Genesis 1 vers 1 geschapen heeft – maar God volbrengt nu een werk, dat de aarde voor de mensen bewoonbaar maakt. Hij gebruikt daartoe zowel het voorhanden zijnde materiaal alsook de in het universum al sinds het eerste scheppen bestaande energie.
ZAADKORREL
- In deze zin is het toch niet verkeerd om van zeven scheppingsdagen te spreken, ook wanneer vers 1 geen deel van deze zeven dagen is. Omdat God binnen deze zeven dagen grote zeemonsters, en alle levende wriemelende ziel, waarvan het water wemelt, al het gevleugeld gevogelte en ook de mensen “schept”, is het totale geheel Zijn “scheppingswerk”. Niet elke afzonderlijke stap bestaat uit het scheppen van materie, dieren of mensen vanuit het niets. God gebruikt dat, wat al voorhanden is, om daaruit iets nieuws te maken. Dat kennen we uit het nieuwe Testament: Het menselijke, sterfelijke lichaam van de gelovige is de “zaadkorrel” voor het opstandingslichaam, het verheerlijkte lichaam van een gelovige (1 Kor. 15:35 en volgende).
Eerste dag: vers 3-5: Het licht
ALMACHT VAN GOD
- Licht was er voordat de zon gemaakt werd. Dit licht is een heenwijzing naar de almacht van God. Zo, zoals het licht het totale universum verlicht, is in het gehele universum de openbaring van God te onderkennen.
- God is altijd al licht geweest, want Zijn wezen is licht. Met het scheppingswerk openbaart zich God. De zon echter werd niet op de eerste dag, maar op de vierde dag gemaakt. Zo kwam Christus niet met de schepping van deze aarde in deze wereld, maar pas in de tijd, waarvan de vierde dag symbolisch spreekt: in de volheid van de tijd, toen God vlees werd.
- Geen menselijke schrijver zou van het tevoorschijn roepen van het licht zonder van het overeenkomende hemellichaam, de zon, gesproken hebben. Maar God doet dat wel. Omdat Hij geen zon gebruikt, om licht te geven. Alleen Degene, die werkelijk weet hoe Hij geschapen heeft, kan ons meedelen dat Hij het licht van de zon gemaakt heeft – een heenwijzing naar de goddelijke inspiratie van dit vers.
NIEUWE GEBOORTE
- We vinden hier een aanduiding van de grote geestelijke waarheid van de nieuwe geboorte (Joh. 3). In een verwoest leven (de aarde werd door de val van satan verwoest – een beeld daarvan, dat de mens door de zondeval zijn leven verwoestte), dat zonder hoop in de duisternis zonder God ligt, plant God in Zijn goddelijke liefde de kennis van Zijn tegenwoordigheid in. Het licht is in het Nieuwe Testament altijd weer een verwijzing daarheen, dat mensen een kennis van God en een betrekking met Hem hebben: “Want de God die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, heeft geschenen in onze harten tot de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus” (2 Kor. 4:6; verg. ook 1 Petr. 2:9; Ef. 5:8). De nieuwe geboorte van een mens wordt door het woord van God bewerkt (“En God zei”, vers 3). Dat onderstreept ook 1 Petrus 1 vers 21: “Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God”.
HEILIGING
- Licht wordt van de duisternis gescheiden. Hier hebben we voor de eerste maal het thema “afzondering” of “heiliging” in de bijbel. De hemel wordt van de hel, de dag van de nacht gescheiden. Afzondering is geen eeuwige gedachte, dat wil zeggen, afzondering is pas door de intrede van de zonde in deze wereld nodig geworden. Eigenlijk is het doel de eenheid van God. Maar deze eenheid is sinds de intrede van de zonde in deze wereld alleen nog mogelijk door afzondering van het kwaad en het heen wenden tot God. Ik verwijs hier ook weer naar de geestelijke betekenis van deze eerste dag: Nadat de mens in de zonde gevallen was (vers 2 toont de toestand in het leven van de mens: chaos en goddeloos), was de gehele aarde bevlekt door de zonde. Daardoor werd de afzondering van het kwaad noodzakelijk. Wanneer de laatste vijand, de dood (verg. 1 Kor. 15:26), weggedaan zal zijn, zal er ook geen afzondering meer zijn. Want de dood en alles, wat daarvan spreekt, zal weggedaan zijn. Dan zal de goddelijke eenheid voor de mensen in eeuwigheid bestaan.
GODDELIJKE GENADE
- Wanneer God licht in het hart van de mens lichten laat, bestraalt het licht de duisternis (de zonde), die daar is. Tegelijk is het een lichtstraal van goddelijke genade, die een mens redt. Dan verdrijft het licht de duisternis. Wanneer een lichtstraal in een ruimte valt, is de ruimte verlicht, de duisternis verdreven.
AVOND EN MORGEN
- Hier hebben we de eerste vermelding van avond en morgen. Interessant dat God van het begin af aan zo rekent en de dag met de avond beginnen laat, zoals we het uit de joodse dagtelling kennen, niet pas toen de mensen geschapen werden, die zich dan op deze dagtelling gericht hebben.
- Er is geen reden dit maal de uitdrukking “dag” als een langere tijdsruimte te verstaan (zoals bijvoorbeeld bij de “dag van de Heer”). Exodus 20 vers 11 bevestigt dat, want God spreekt tot de Israëlieten van zes dagen – en de Israëlieten kenden slechts één soort van dagen: diegene die 24 uur omvatten.
Tweede dag: vers 6-8: De uitbreiding (water-hemel-lucht)
ATMOSFEER
- De “hemelbol” respectievelijk het firmament, de atmosfeer, werd geschapen. Dat is hier de genoemde uitbreiding. Zij ligt tussen de voor de mensen zichtbare hemel en het water op de aardbodem. Tot hier toe is niets op de oppervlakte van de aarde behalve de wateren, die alles bedekken.
- God maakt nu een deling tussen deze wateren en de lucht erboven. Tussen de hemel en de aarde is de lucht, die de atmosfeer, de hemel en de aarde scheidt.
GEEST EN VLEES
- Daarmee kom ik tot de geestelijke toepassing. Op de eerste dag zagen we, hoe het licht de chaos openbaarde en nieuw leven schonk. Nu zien we, dat de tweede dag scheiding van hemel en aarde de tegenstelling openbaart, die tussen de ruïne van de gevallen natuur en het nieuwe leven van God bestaat. Er is water “boven” en water “onder”: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees [onder]; en wat uit de Geest geboren is, is geest [boven]” (Joh. 3:6). Zo hebben we hier zinnebeeldig de beide naturen in het leven van een gelovige. De nieuwe natuur is “geest” (Joh. 3:6; Rom. 8:16), de oude natuur, het vlees, bestaat evenwel toch nog in ons leven. Maar de mens is al opnieuw geboren. Dat is het onderscheid, waarvan Paulus in Romeinen 7 uitvoerig spreekt.
- Daardoor, dat de wateren boven de wateren van de aarde zijn, getuigen zij van het overwicht van de Geest in het leven van een gelovige. “… zij die naar de Geest zijn [bedenken] geestelijke dingen … Zo dan, broeders, zijn wij schuldenaars, niet aan het vlees, om naar het vlees te leven; want als gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar als gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven” (Rom. 8:5,12,13). “De Geest zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn” (Rom. 8:16).
Wordt D.V. vervolgd.
Manuel Seibel – Folge mir nach
Geplaatst in: Schepping
© Frisse Wateren, FW