19 jaar geleden

Heeft Christus in de hades gepredikt?

Men leest soms dat de Heer Jezus (Zijn Geest) aan de doden gepredikt heeft, toen Hijzelf in het graf lag. Daarbij grondt men zich op 1 Petrus 3:19-20. Is deze voorstelling juist?

“Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt in de Geest, in Welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft tot de geesten in gevangenschap, die destijds ongehoorzaam waren toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten in de dagen van Noach, terwijl de ark gereed gemaakt werd waarin weinigen, dat is acht zielen gered werden door water” (1 Petrus 3:18-20).

Enkele gelovigen hebben werkelijk gedacht, dat 1 Petrus 3:19-20 betekende dat Christus in de hades gepredikt heeft. Maar wanneer men de tekst iets nauwkeuriger bekijkt, stelt men vast, dat dat absoluut niet het geval is.

Het gaat in deze verzen niet om de menselijke geest van Jezus (die in het paradijs was, terwijl Zijn lichaam in het graf lag: zie Lukas 23:43), maar om de Geest van Christus, dat is de Heilige Geest (zie vers 18). “In de dagen van Noach” ging Christus in de Heilige Geest heen en predikte door Noach, de “prediker van de gerechtigheid” (2 Petrus 2:5) aan de toen levende mensen (Genesis 6:3). Zoals de Geest van Christus in de profeten van het Oude Testament was (1 Petrus 1:11) en Christus op Pinksteren in de persoon van de Heilige Geest kwam om vrede te verkondigen aan hen die dichtbij en aan hen die veraf waren (Efeze 2:17), zo was Hij ook in Noach.

Maar omdat die mensen “destijds” ongehoorzaam waren en de prediking niet wilden geloven, is het nu voor hen te laat. Toen zij stierven, gingen hun geesten in de hades, in “gevangenis” (gevangenschap), waar zij sindsdien op de opstanding ten oordeel wachten. In de hades is er geen prediking en geen tweede kans meer (zie Lukas 16:23-31).

Joachim E. Setzer

In verband met dit onderwerp voegt Frisse Wateren hier de volgende uitleg aan toe, hetgeen door een zeer bekwame leraar hierover is geschreven:

<< … In de Heilige Geest, dus niet persoonlijk, predikte de Heer. Het is hetzelfde als wat Paulus schreef: “En Hij (Christus) is gekomen en heeft vrede verkondigd aan u die veraf waart, en vrede aan hen die nabij waren” (Efeze 2:17). Nu, de Heer is niet persoonlijk tot de mensen in Efeze en de andere heidenen gekomen om vrede te verkondigen. En evenmin tot de joden (hen die nabij waren). Want de voorgaande verzen zeggen dat het over de vrede gaat, die Christus door Zijn werk op het kruis tot stand gebracht heeft, en dat deze prediking dus na de hemelvaart van de Heer plaats vond. In de prediking, in het evangelie dat Paulus en de andere evangelisten brachten, was Christus tot hen gekomen en komt Hij ook nu nog tot ieder die het evangelie hoort. En dat was geen nieuwe gedachte in de Schrift! “God die vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft aan het einde van deze dagen tot ons gesproken in Zoon” (Hebreeën 1:1). God sprak dus tot het volk. Maar het was door de mond van Zijn dienstknechten. En Petrus had al gezegd, dat het door de Geest van Christus was dat de profeten spraken (1 Petrus 1:11).

Toen de Heer op aarde was, sprak God rechtstreeks, dus zonder mensen als werktuigen te gebruiken, tot de mensen. Want de Heer was “God geopenbaard in het vlees” (1 Timotheüs 3:16). Maar na de hemelvaart gebruikte Hij weer mensen. En door hen, en in de boodschap die zij brachten, kwam Hij tot hen. Petrus schrijft niet: is gekomen, in de tegenwoordige tijd, zoals Paulus, maar “heengegaan is”. Want hij schrijft over iets dat vijfentwintighonderd jaar van te voren gebeurd was, en de mensen tegen wie gepredikt was, leefden niet meer op aarde, zoals de Efeziërs, maar waren om hun ongehoorzaamheid omgekomen en, terwijl hun lichaam tot verderf was overgegaan, waren hun geesten door God opgesloten in de gevangenis, om straks voor het eindoordeel voor de grote witte troon te verschijnen (Openbaring 20). En, we zouden haast zeggen “ten overvloede”, schrijft hij er nog bij, dat Christus in de Geest heengegaan is om tegen deze mensen te prediken (om alle gedachte aan een persoonlijk heengaan weg te nemen), waardoor wat Hij zegt nauwkeurig aansluit aan wat Mozes geschreven heeft (Genesis 6:3). En hij voegt het woordje “ook” bij, om het aanvullende karakter van deze verzen aan te geven, waardoor ze, wat de tijd betreft, losstaan van vers 18.

Petrus noemt deze ongehoorzamen “de geesten in de gevangenis”. Hij noemt ze hier niet “doden”, zoals hij in 4:6 vroeger levenden aanduidt. De “geest” is het hogere deel van de mens en het lichaam het lagere. De ziel is het verbindende deel tussen beide. De Schrift verbindt het inzicht en het oordeel met de geest, zoals de gevoelens en verlangens met de ziel. Een heel duidelijke uitspraak is: “Wie van de mensen weet wat van de mens is, dan de geest van de mens die in hem is?” (1 Korinthe 2:11). Daarom spreekt God door de Geest van God tot de geest van de mens. “De geest van de mens is de lamp van Jehovah, doorzoekende al de innerlijke delen van de buik” (Spreuken 20:27, vertaling Darby). De prediking van Christus door Noach was dus tot de geest van de mensen in die tijd gericht. En hun lichamen mogen omgekomen zijn in de zondvloed, omdat ze ongehoorzaam waren, hun geest en de ziel stierven niet. Ze worden bewaard door God voor het eindoordeel (2 Petrus 2:9), om dan, weer verenigd met het lichaam, hun definitief oordeel te ontvangen voor hun verwerping van het getuigenis van de Geest van Christus.

Niet alle gestorvenen zijn in de gevangenis. Het wordt hier alleen van deze uitdrukkelijk begrensde groep gezegd. Uit plaatsen als 2 Petrus 2:9; Lukas 16:23-28 en andere kunnen we, denk ik, afleiden dat alle ongelovigen daar zijn. Maar van de ontslapen gelovigen is het beslist niet waar!

Ze zijn in het paradijs (2 Korinthe 12:4), met Christus (Filippi 1: 21-23). Een wonderbare, gezegende plaats, die zeker geen gevangenis kan worden genoemd. Het is zelfs zeer de vraag of we kunnen zeggen, dat ze in de hades zijn. De Schrift zegt het in ieder geval niet.

De woorden “destijds ongehoorzaam” geven de reden aan waarom deze geesten in de gevangenis zijn. We zouden waarschijnlijk beter kunnen vertalen: “ongehoorzaam als ze eens waren”. Door Noach kwam het getuigenis van gerechtigheid tot hen. Iedere hamerslag bij het bouwen van de ark was een getuigenis dat hun toestand zo was, dat er een oordeel van God over zou komen. Zo was het ook bij de gelovigen aan wie Petrus schreef en is het bij ons. Onze afzondering van de wereld, ook van de godsdienstige, is een prediking tot hen van het oordeel dat eens over hen komen zal. Maar tevens van de weg ter ontkoming. Gods lankmoedigheid wachtte terwijl de ark werd toebereid. Maar de grote massa gehoorzaamde niet aan het getuigenis, zomin als ze het nu doen, Ze achten de lankmoedigheid van de Heer niet voor behoudenis (2 Petrus 3:15), maar als een teken dat het oordeel niet zal komen (2 Petrus 3:4). Welk een ernstige waarschuwing voor hen ligt in deze woorden van Petrus (Romeinen 2:4). Zoals eens, op een niet verwacht ogenblik, de zondvloed kwam en allen ombracht, zo zal straks de dag des Heren voor hen komen als een dief in de nacht (1 Thessalonika 5:2-3). En hoe verschrikkelijk de dood in de zondvloed geweest moet zijn, iets veel ergers wacht hen nog ….

Honderdtwintig jaar lang was het leven van Noach door twee dingen gekenmerkt (Hebreeën 11:7). Hij predikte tot zijn mede-zondaren en maakte voor zichzelf alles gereed om over te gaan in de nieuwe wereld. Alles wat hij aan de ark bouwde had dit in zich. Kan er iets mooiers zijn, dan een gelovige ononderbroken met deze twee dingen bezig te zien? (Filippi 2:12-16). En het was de Geest van Christus in hem die predikte. Noach zelf had geen bekwaamheid daartoe, net zo min als wij!

De Heer vergelijkt de tijd van Noach met de tijd net voor Zijn komst. Nu, wij weten dat Hij bereid staat levenden en doden te oordelen. Er zijn dingen die de volle openbaring van het kwaad, en daarmee het oordeel, tegenhouden. Maar wij weten dat dit tegenhoudende ieder ogenblik weggenomen kan worden. En dan is de tijd van genade voorbij voor allen die de liefde tot de waarheid niet aangenomen hebben (2 Thessalonika 2:7-12). Welk een urgentie geeft dat aan de beide bovengenoemde dingen: de “afzondering” en de “prediking”. En welk een reden ook, om de Geest van Christus door ons te laten prediken! Ons altijd onder Zijn leiding te stellen: alleen maar werktuigen in Zijn hand te willen zijn! … >>

Bronnen:
– Folge mir nach
– De eerste brief van Petrus, door H.L. Heijkoop

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW