19 jaar geleden
Generatiekloof …?
Helaas is ook onder ons Christenen de verhouding tussen ouderen en jongeren vaak belast of verstoord. Daartegen vermeldt de Bijbel bemoedigend vele voorbeelden van een goede omgang tussen jong en oud, onder andere Mozes en Jozua, Job en Elihu, Eli en Samuël, Naómi en Ruth, Mòrdechai en Esther, Elisabeth en Maria, Paulus en Timotheüs. Zij laat echter ook zien, dat aan deze omgang met elkaar eerst een leer- en opvoedingsproces is voorafgegaan, door dat deze gelovigen de Heer en zichzelf beter hebben leren kennen. Een zorgvuldige studie van hun ervaringen zal ons bekwamen op elke leeftijd de verhouding tussen generaties positief te beïnvloeden. – Wij zullen ons nu met de profeten Elia en Elisa bezighouden …
De oude Elia en de jonge Elisa
Oud en jong
1. Zware tijden
Krap zestig jaar na de deling van het rijk van Salomo werd Achab koning over het noordelijk deel, het koninkrijk Israël. Economisch, behalve de politiek, stonden de dingen niet slecht. Maar voor alle Israëlieten, die de HEERE noch trouw wilden dienen, brak een verschrikkelijke tijd aan. Al sinds twee generaties gingen de tien noordelijke stammen niet meer naar de jaarfeesten van de HEERE te Jeruzalem. Zij namen genoegen met de schijngodsdiensten in Bethel respectievelijk Dan, die daar sinds koning Jerobiam met minachting van alle Goddelijke instellingen voor gouden kalver-beelden plaatsvonden. Nu vond Achab dat de tijd gekomen was, elke herinnering aan de HEERE, de God van israël, uit te wissen. Vanwege zijn Sidonische vrouw Izébel voerde hij met bruut geweld de Kanaänitische Baälsdienst in. Gods Woord vat samen: “… zodat Achab nog meer deed, om de HEERE, de God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren” (1 Koningen 16:33).
2. Geloven onder verwarrende omstandigheden
Voor deze duistere achtergrond straalt het geloof van de profeet Elia, zoals hij ons in 1 Koningen 17 en 18 beschreven wordt, des te helderder. Gegrond op een Bijbelwoord uit Deuteronomium 11:16-17 (waar we lezen: “Wacht uzelf, dat uw hart niet verleid wordt, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt; Dat de toorn des HEEREN tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluit, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geeft; en gij haastig omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft”), en na een krachtig gebed1 (Jakobus 5:17), kondigt hij Achab moedig een Goddelijk oordeel aan (1 Koningen 17:1): “Zo [waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!” Men bedenke dat Baäl de weergod van de Kanaänieten was. Nog meer vast besloten treedt Elia aan het einde van de droogteperiode op, dat het aanzien van Baäl sterk heeft doen wankelen. Hij wilde nu graag openlijk bewijzen, dat de HEERE alleen God is en dat Zijn macht en Zijn gedachten onveranderd voortbestaan. Het oprichten van het altaar, de twaalf altaarstenen (naar de 12 stammen van Israël), het brengen van het offer, de tijd van het offeren, zijn aanspreken van God als “HEERE, God van Abraham, Izak en Israël” – kortom alles wat Elia doet of spreekt, is uitsluitend gegrond op het Woord van God, voorzover het toen voorhanden was. De Heer bevestigt op indrukwekkende wijze zijn geloof. –
Bedenken wij eigenlijk voldoende dat de Heer zich ook vandaag nooit aanpast aan onze omstandigheden (2 Timotheüs 2:13), maar onveranderd gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn Woord verwacht? Ook de geschiedenis van Elia bewijst, dat geloofsoverwinningen geen kwestie van kracht of zwakheid is, maar berusten op gehoorzaamheid ten opzichte van Gods Woord.
3. Na een overwinning is het gevaar het grootst
“Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te kunnen houden” (Efeze 6:13). Nog op de dag van de overwinning krijgt Elia een moorddreiging van Izébel (zie 1 Koningen 19). Daarop verlaat hij zonder Goddelijk bevel zijn arbeidsterrein, het rijk Israël. Wij kunnen de profeet goed begrijpen. Ook ons leidt veel te vaak mensenvrees. Maar het was niet alleen dat; de Heer ziet dieper. Elia, die “om zijns levens wil” Samaria verliet, bidt onder de jeneverboom, “dat zijn ziel zou sterven”. Hij begint zijn gebed met de woorden: “Het is genoeg”. Betekent dat: “Ik kan niet meer” of “Ik wil niet meer?”
Allereerst versterkt de Heer Zijn vermoeide knecht. Pas veel later, op de berg Horeb, komt de ernstige vraag: “Wat maakt gij hier, Elia?” –
Hebben wij allemaal ook al niet deze vraag moeten horen? Hebben wij haar misschien nog vaker niet gehoord? –
Het antwoord van Elia laat zien, dat naast de angst ook een diepe teleurstelling, ja verbittering aan zijn vlucht ten grondslag lag – verbittering over het volk van God. De Heer zet Zijn genadige bemoeienissen voort: “… sta op deze berg voor het aangezicht des HEEREN” (vers 11a). De profeet moet niet gekwetst in de spelonk, maar uiteindelijk weer voor het aangezicht van de Heer staan zoals bij zijn eerste boodschap. Dan maakt de Heer hem door aanschouwelijk onderricht duidelijk, dat Zijn genade voor dit volk nog niet ten einde is. Kan Elia nu tenminste weer met de ogen van God zien? –
Hij klaagt zijn broeders voor de tweede maal aan met dezelfde woorden! Op de Karmel had hij nog het gehele volk vragen kunnen: Nadert tot mij! Hij gevoelde dat daar Gods volk en Gods profeet bij elkaar hoorden. Hier stelt hij zich boven en tegen dit volk. Daar streed hij voor de eer van de Heer, hier verdedigt hij hardnekkig zijn eigen eer.
Maar geen dienaar kan op den duur het volk van God en zichzelf anders zien dan de Heer, zonder ongeschikt te worden.
Elia wil zich niet als profeet van de genade laten gebruiken. Zo moet hij horen: “Elisa, de zoon van Safat, van Abel-Mehóla, zult gij tot profeet zalven in uw plaats” (vers 16). Hij moet verder horen, dat hij slechts één van de zevenduizend getrouwen is.
Een belangrijke aanwijzing! De gebeurtenis op Horeb vond tussen de Heer en Zijn dienaar alleen plaats. Voor zover het Elia aanging, was de zaak afgesloten. Wanneer dit ons toch meegedeeld wordt, dan zeker daarom, omdat de Heer bij het lezen ook u en mij heel ernstige vragen stellen wil.
Hans-Joachim Kuhley, © Folge mir nach
NOTEN:
1. Of ‘vurige smeking’, of ‘bad indringend’.
Geplaatst in: Commentaren & personen
© Frisse Wateren, FW
Generatiekloof …?
De oude Elia en de jonge Elisa
Oud en jong
1. Zware tijden
Krap zestig jaar na de deling van het rijk van Salomo werd Achab koning over het noordelijk deel, het koninkrijk Israël. Economisch, behalve de politiek, stonden de dingen niet slecht. Maar voor alle Israëlieten, die de HEERE noch trouw wilden dienen, brak een verschrikkelijke tijd aan. Al sinds twee generaties gingen de tien noordelijke stammen niet meer naar de jaarfeesten van de HEERE te Jeruzalem. Zij namen genoegen met de schijngodsdiensten in Bethel respectievelijk Dan, die daar sinds koning Jerobiam met minachting van alle Goddelijke instellingen voor gouden kalver-beelden plaatsvonden. Nu vond Achab dat de tijd gekomen was, elke herinnering aan de HEERE, de God van israël, uit te wissen. Vanwege zijn Sidonische vrouw Izébel voerde hij met bruut geweld de Kanaänitische Baälsdienst in. Gods Woord vat samen: “… zodat Achab nog meer deed, om de HEERE, de God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren” (1 Koningen 16:33).
2. Geloven onder verwarrende omstandigheden
Voor deze duistere achtergrond straalt het geloof van de profeet Elia, zoals hij ons in 1 Koningen 17 en 18 beschreven wordt, des te helderder. Gegrond op een Bijbelwoord uit Deuteronomium 11:16-17 (waar we lezen: “Wacht uzelf, dat uw hart niet verleid wordt, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt; Dat de toorn des HEEREN tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluit, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geeft; en gij haastig omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft”), en na een krachtig gebed1 (Jakobus 5:17), kondigt hij Achab moedig een Goddelijk oordeel aan (1 Koningen 17:1): “Zo [waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!” Men bedenke dat Baäl de weergod van de Kanaänieten was. Nog meer vast besloten treedt Elia aan het einde van de droogteperiode op, dat het aanzien van Baäl sterk heeft doen wankelen. Hij wilde nu graag openlijk bewijzen, dat de HEERE alleen God is en dat Zijn macht en Zijn gedachten onveranderd voortbestaan. Het oprichten van het altaar, de twaalf altaarstenen (naar de 12 stammen van Israël), het brengen van het offer, de tijd van het offeren, zijn aanspreken van God als “HEERE, God van Abraham, Izak en Israël” – kortom alles wat Elia doet of spreekt, is uitsluitend gegrond op het Woord van God, voorzover het toen voorhanden was. De Heer bevestigt op indrukwekkende wijze zijn geloof. –
Bedenken wij eigenlijk voldoende dat de Heer zich ook vandaag nooit aanpast aan onze omstandigheden (2 Timotheüs 2:13), maar onveranderd gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn Woord verwacht? Ook de geschiedenis van Elia bewijst, dat geloofsoverwinningen geen kwestie van kracht of zwakheid is, maar berusten op gehoorzaamheid ten opzichte van Gods Woord.
3. Na een overwinning is het gevaar het grootst
“Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te kunnen houden” (Efeze 6:13). Nog op de dag van de overwinning krijgt Elia een moorddreiging van Izébel (zie 1 Koningen 19). Daarop verlaat hij zonder Goddelijk bevel zijn arbeidsterrein, het rijk Israël. Wij kunnen de profeet goed begrijpen. Ook ons leidt veel te vaak mensenvrees. Maar het was niet alleen dat; de Heer ziet dieper. Elia, die “om zijns levens wil” Samaria verliet, bidt onder de jeneverboom, “dat zijn ziel zou sterven”. Hij begint zijn gebed met de woorden: “Het is genoeg”. Betekent dat: “Ik kan niet meer” of “Ik wil niet meer?”
Allereerst versterkt de Heer Zijn vermoeide knecht. Pas veel later, op de berg Horeb, komt de ernstige vraag: “Wat maakt gij hier, Elia?” –
Hebben wij allemaal ook al niet deze vraag moeten horen? Hebben wij haar misschien nog vaker niet gehoord? –
Het antwoord van Elia laat zien, dat naast de angst ook een diepe teleurstelling, ja verbittering aan zijn vlucht ten grondslag lag – verbittering over het volk van God. De Heer zet Zijn genadige bemoeienissen voort: “… sta op deze berg voor het aangezicht des HEEREN” (vers 11a). De profeet moet niet gekwetst in de spelonk, maar uiteindelijk weer voor het aangezicht van de Heer staan zoals bij zijn eerste boodschap. Dan maakt de Heer hem door aanschouwelijk onderricht duidelijk, dat Zijn genade voor dit volk nog niet ten einde is. Kan Elia nu tenminste weer met de ogen van God zien? –
Hij klaagt zijn broeders voor de tweede maal aan met dezelfde woorden! Op de Karmel had hij nog het gehele volk vragen kunnen: Nadert tot mij! Hij gevoelde dat daar Gods volk en Gods profeet bij elkaar hoorden. Hier stelt hij zich boven en tegen dit volk. Daar streed hij voor de eer van de Heer, hier verdedigt hij hardnekkig zijn eigen eer.
Maar geen dienaar kan op den duur het volk van God en zichzelf anders zien dan de Heer, zonder ongeschikt te worden.
Elia wil zich niet als profeet van de genade laten gebruiken. Zo moet hij horen: “Elisa, de zoon van Safat, van Abel-Mehóla, zult gij tot profeet zalven in uw plaats” (vers 16). Hij moet verder horen, dat hij slechts één van de zevenduizend getrouwen is.
Een belangrijke aanwijzing! De gebeurtenis op Horeb vond tussen de Heer en Zijn dienaar alleen plaats. Voor zover het Elia aanging, was de zaak afgesloten. Wanneer dit ons toch meegedeeld wordt, dan zeker daarom, omdat de Heer bij het lezen ook u en mij heel ernstige vragen stellen wil.
Hans-Joachim Kuhley, © Folge mir nach
1. Of ‘vurige smeking’, of ‘bad indringend’.
Geplaatst in: Commentaren & personen
© Frisse Wateren, FW