Vervolg deel I.
(II) Wat de mensen van de gemeente van God gemaakt hebben
In het begin
De vorming van de gemeente van God begon op de Pinksterdag, toen de gelovigen allen op één plaats bijeen waren. “En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind, en deze vulde het hele huis waar zij zaten. En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen. En ze werden allen vervuld met [de] Heilige Geest” (zie Hand. 2:1-4). De verdeelde tongen spreken van een nieuw getuigenis, bestaande uit Joden en heidenen. Het getuigenis tot dan bestond slechts uit Israël; het is nu ter zijde gesteld en de gemeente werd ingevoerd. God nu in ons, niet alleen voor ons. In het vuur van de verdeelde tongen is ten eerste het oordeel van God te herkennen, dat alleen aan Hem, de alleen reine, vlekkeloze voltrokken werd, op grond waarvan God Zijn genade bewijzen kan. Als eerste kreeg Petrus de macht om het evangelie te prediken, en verkondigde de opstanding van Jezus en Zijn heerlijkheid. Echter, de gemeente vertoonde zich in haar ware karakter pas als gevolg van de aan de apostel Paulus gegeven en verkondigde openbaringen; en wel naarmate het goede nieuws zich onder de volken verspreidde, nadat de Joden (als geheel) “de raad van God voor zichzelf terzijde gesteld” hadden (Luk. 7:30). Paulus zonderde de discipelen af van hen die niet geloofden (zie Handelingen 19:9). Het geheim van het ene lichaam dat allen omvat, zowel die veraf als die dichtbij waren, heidenen als Joden, die van harte in Jezus Christus geloven, en die allen door één Geest toegang tot de Vader hebben, was in het Oude Testament niet geopenbaard. Deze waarheid was – behalve in profetische aanduidingen en enkele voorbeelden in de Schriften van het Oude Testament – niet vermeld. Hun verkondiging bleef de apostel Paulus voorbehouden.
Het is niet onze bedoeling om de lezer de geschiedenis van de gemeente op aarde in detail voor ogen te schilderen. Wat het Woord daarover bericht, is genoeg om het begin van deze geschiedenis te begrijpen, en de mogelijkheid om hun verdere verloop te voorzien. De Handelingen en de brieven van Paulus, evenals van Petrus, Jakobus, Johannes verkondigen op voorhand al het verval, maar ze laten ook duidelijk zien hoe het verval in sterke mate al ingetreden was.
Elk kwaad dat zich later heeft ontwikkeld, en dat we ook vandaag nog steeds vaststellen, was toen in zijn wezenlijke kenmerken al zichtbaar. In de begintijd heeft de gemeente te Jeruzalem de eigenschappen van Christus uitgestraald: de gelovigen toonden de eenheid van de Geest, “zij volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden” (Hand. 2:42 ). De liefde, de vrucht van de Geest (Gal. 5:22), werkte krachtig onder hen, zodat ze “alle dingen gemeenschappelijk” hadden. Zij waren één van hart en ziel. Maar dit gelukkig begin was snel vertroebeld. De hebzucht en leugen, de verwaarlozing van de weduwen en het daaruit ontstane gemor werd zonder twijfel nog steeds onder controle gehouden, want de Heilige Geest werkte met grote kracht. Toch bleef het slechts voor een tijd, zelfs in Jeruzalem (zie de brief van Jakobus). Voor de gelovige Jood was het moeilijk om de gelovigen uit de volken als gelijken te erkennen, en bijna was daaruit een splitsing ontstaan. Valse broeders slopen in de gemeente (zie de brief aan de Galaten en de brieven van Judas en Johannes). Valse leraars met joodse, gnostische1 of rationalistische leringen richtten grote verwarring aan. Christenen wendden zich van het kruis af en volgden hun eigen interesses (zie de brief aan de Filippiërs en aan Timotheüs). De gevangene Paulus werd bijna door iedereen verlaten. Hoewel hij de aandacht vestigde op de boze tijden van de laatste dagen, was het begin ervan al duidelijk te zien. Johannes schrijft dat de geest van de antichrist er al is, en dat het het “laatste uur” is (1 Joh. 2:18).
Vanaf de apostelen tot in onze tijd
Sindsdien heeft meer dan negentienhonderd jaar2 helaas in elk opzicht het feit bevestigd, dat de mens altijd verderft wat God hem toevertrouwt.
Wel heeft God geduldig de éne getuige na de andere opgewekt, vaak een gelukkige omkeer bewerkt en Zijn genade overal verheerlijkt. Hij heeft Zich altijd trouw bewezen en doet dit vandaag nog. Het Woord is ongeschonden gebleven en wordt verder verbreid. Het evangelie wordt bijna over de hele wereld verkondigd, en zielen komen overal tot bekering.
Maar de kinderen van God zijn verstrooid, omdat “wrede wolven binnenkwamen, die de kudde niet spaarden”. Mannen uit het midden van de gemeente zijn opgestaan “die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken”. Het is allemaal vervuld wat de apostel Paulus de oudsten van de gemeente van Efeze op het strand van Miléte had voorspeld (zie Hand. 20:17-35). Het gezag van de Meester is over het geheel genomen met voeten getreden, is zelfs geloochend. Ze kennen niet meer de stem van de Goede Herder. Vandaag de dag is het zover, dat ze “de gezonde leer niet verdragen, maar naar hun eigen begeerlijkheden voor zichzelf leraars verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen” (zie 2 Tim. 4:3). Zij hebben de oren afgekeerd van de waarheid en zich tot de fabels gewend (vs. 4).
Dit is het beeld van het hedendaagse algemene Christendom. Het “grote huis” (2 Tim. 2:20) heeft voor de wereld de deur wijd geopend en laat haar daarin heersen. De verkeerde materialen van de mensen: hout, hooi, stro (1 Kor. 3:12) hebben zich overal met de “levende stenen” (1 Petrus 2:5) vermengd, en de verdervers van de tempel van God (1 Kor. 3:17) zijn talloos. Mensen die geen vonk van het goddelijk leven openbaren, worden Christenen genoemd. Gelovigen en ongelovigen zijn verenigd volgens de principes van menselijke vereniging. het onkruid heeft zich meer en meer met de tarwe vermengd.
De Schrift heeft het voorzegd; daarom verwonderen we ons er niet over. De zeven zendbrieven van Openbaring (hfdst. 2 en 3) geven ons een profetisch beeld van de gestage afwaartse ontwikkeling van de kerk, die tenslotte wordt vergeleken met dat laatste “grote huis”. We zien hoe de realiteit uiterst nauwkeurig met de voorspellingen overeen komt. Moeten we ons daarbij neerleggen? God beware ons! In elke periode van de openbaring van het beeld van de gemeente waren er “overwinnaars”, degenen die het geloof in Hem, de geliefde Heer Jezus, handhaafden en trouw bewaarden. Hijzelf, de grote Overwinnaar, zal ondanks bedrog en list van satan tot aan het einde Zijn trouwe getuigen verwekken en behouden. De mensen zouden het werk van God allang compleet en onherstelbaar verwoest hebben, als het niet juist Zijn werk was, dat niet vergaan kan. Hem zij de dank! Hij is door Zijn Geest voortdurend aan het werk om op het ene fundament “wat er ligt, dat is Jezus Christus”, Zijn werk te volbrengen. Daarom “groeit het hele gebouw, goed samengevoegd, op tot een heilige tempel in [de] Heer; terwijl Jezus Christus Zelf de hoeksteen is” (zie Ef 2:20-22; 1 Kor 3:11).
Christenheid en gemeente
Hoe groot ook de tegenwoordige verwarring zijn mag, een zekerheid bemoedigt ons: God heeft op aarde, vandaag net als toen, een grote menigte van Zijn kinderen, verloste Christenen, die vandaag net als toen, allen tezamen de gemeente van God vormen, die blijft. Er is nog steeds op aarde één lichaam van Christus, de totaliteit van degenen die als wedergeboren door de Heilige Geest levend met Hem verbonden zijn.
Daarin is geen verandering opgetreden, noch in de weg hoe je een kind van God wordt – kinderen van God zijn zij die in Zijn naam geloven (Joh 1:12) -, noch op de wijze waarop Christus de gemeente, dat Zijn lichaam is, voedt en koestert (Ef. 5:29.30). Laten we in gedachten houden, dat precies als in de dagen van de apostelen de gemeente van God altijd nog uit alle ware gelovigen bestaat, of ze zichzelf katholiek, protestant of iets anders noemen. Deze ware gelovigen zijn talrijker dan wij kunnen denken. Voor Christus en voor God is hun eenheid net zo werkelijk als altijd. Laten we ons ervoor hoeden deze gelovigen in onze harten van elkaar te scheiden, en nooit de term “gemeente van God” gebruiken, zonder daarbij te denken aan alle verlosten van de Heer.
Maar waar is de gemeente God in de praktijk te vinden? Het is na al wat gezegd is, duidelijk dat we haar totaalbeeld vandaag tevergeefs zoeken. Het is sinds lange tijd verloren gegaan. Al in de eerste decennia van het bestaan van de gemeente van God, evenals tijdens het leven van de apostelen, was het niet meer mogelijk, allen, die in de waarheid haar toebehoorden, precies op te sommen. Daarom zegt Paulus in 2 Timotheüs 2 vers 19: “De Heer kent hen die de Zijnen zijn”. Miljoenen mensen die nooit godvruchtig leven vertoonden, zijn “als Christen” gedoopt, maar het was slechts “ogenschijnlijke godsvrucht” (2 Tim. 3:5), en vele ware gelovigen zijn in talrijke Christelijke groeperingen en denominaties verspreid en in verbinding met de onbekeerden gebracht.
Men maakt aanspraak op de naam “Christen”, alsmede ook bij een Christelijke kerk te behoren, hoewel in deze laatstgenoemde ook onbekeerden als Christenen behandeld worden. Dit is de ergste ontheiliging van Gods naam. God is heilig, en Hij laat Zijn naam niet ongestraft misbruiken (of ijdel uitspreken, zie Ex. 20:7). Bij de mens die beweert te behoren tot de gemeente van Christus, legt God onverbiddelijk de volledige verantwoordelijkheid, die daarmee in verbinding staat. De grote Christelijke organisatie in een wereld, die zichzelf “Christelijk” noemt, roept de Heer, Wiens ogen zijn als een vuurvlam (Openb. 1:14) toe: “Zo zal Ik u nu als Mijn gemeente beschouwen, wiens doen en laten Ik in het oordeel brengen moet” (lees Openb. 2 en 3). Hij zegt: “Ik weet uw werken”, en Hij vraagt: “Waar is het geloof, de liefde, de hoop? Wat hebt u met Mijn woorden gedaan? Hoe bent u met Mijn heilige Naam omgegaan, waarin u zich beroemt? Wat hebt u van Mijn genade, van Mijn gedachtenismaal gemaakt? Wie hebt u hier beneden gevolgd?”
Nog steeds wacht Zijn geduld. Zijn we niet bewogen als we zien met welke lankmoedigheid Hij tot Sardis en Laodicea spreekt: “Bedenk dan …”; “raad Ik u aan … “Allen die Ik lief heb, bestraf en tuchtig Ik …” (Openb. 3:3,18,19 ). Hij beschouwt deze christenheid als dat, wat zij zijn wil, als drager van een christelijke belijdenis. Ze beseft niet hoe ernstig dit is. Hij is echter de trouwe en waarachtige getuige (Openb. 3:14), en: “… als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want zichzelf kan Hij niet verloochenen” (2 Tim. 2:13). Hij heeft zich in de loop van de geschiedenis met de gemeente beziggehouden, zoals we in de reeds genoemde zendbrief lezen, doordat Hij prees wat goed was, en de getrouwen bemoedigde, maar ook hekelde Hij van wat hij niet kon erkennen, ja, wat verdorven was. Er ging in vervulling wat we lezen in 1 Petrus 4 vers 17a: het oordeel begon bij het huis van God, en het is tot op de dag van vandaag uitgevoerd. Maar de Heer zoekt de laatsten, die Hij liefheeft, uit het grote huis van het huidige gemeenschappelijke christendom, dat van Hem verwijderd is, te overtuigen en voor Zichzelf terug te winnen. Als dezen aan Zijn kudde toegevoegd zijn, zal Hij de Zijnen tot Zich opnemen. Als de bruidegom de bruid in de hemel opgenomen heeft, dan zal de ongelovigen, “die het evangelie van God niet gehoorzamen” (1 Petr. 4:17b), degenen die “de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden” (2 Thess. 2:10b) het hun dikwijls aangekondigde oordeel treffen. Dan heeft de Heer de ontrouwe kerk, “de grote hoer”, uit Zijn mond gespuwd. Ze had zich lang ten onrechte de glorieuze naam van de bruid van Christus toegeschreven, totdat zij de inhoudsloze schaal geworden was, die Hem tot een walgelijke smaak geworden was (zie Openb. 3:16). Tot dan verdraagt de Heer in Zijn lankmoedigheid zelfs verschrikkelijke dingen. Omdat ook deze genade wordt genegeerd, zal een des te strenger oordeel het gevolg zijn. In de gelijkenis van de talenten (Matth. 25:14-30) neemt de Heer de boze dienstknecht niet het bezit van de knecht af, maar Hij straft hem met al de strengheid die de “onnutte dienstknecht” toekomt.
Zo is vandaag enerzijds de ware gemeente van God, het werk van Zijn hand, uiterlijk niet meer te onderscheiden en anderzijds is de belijdende kerk, een werk van mensenhanden, nog niet van haar naam ontdaan.
We moeten ons niet door deze verschijnselen laten misleiden. “Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen, die de Zijnen zijn; en: laat ieder die de naam van de Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid” (2 Tim. 2:19)! De gelovige hoeft geen zorgen te hebben. De Heer zal geen van de Zijnen, die Hij alle kent, vergeten of veronachtzamen. Aan de andere kant – en hier hebben we de verantwoordelijkheid van de gelovigen – wordt van hem gehoorzaamheid aan de Schrift verlangd, en hij wordt opgedragen: “zich te onttrekken aan ongerechtigheid, zich af te keren van het kwaad”.
Moet men zich onttrekken om alleen te blijven? Zeer zeker niet! De Heer maakt aan hen die Hem liefhebben en Hem gehoorzaam willen zijn, Zijn wegen bekend (Ps. 103:7) en leidt hen “in het spoor van de gerechtigheid omwille van Zijn Naam” (Ps. 23:3). Daarom instrueert Hij hen ‘zich te onttrekken’, geen verbinding te hebben met dat wat Zijn Naam onteert; dat zijn alle menselijke instellingen, wetten en gewoonten. Hij roept de Zijnen op “te jagen naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart” (2 Tim. 2:22). God weet voor Zich in elke tijd een gelovig overblijfsel te behouden, aan wie Hij Zijn wonderbare liefde en neerbuigende genade openbaren wil; al was zijn aantal nog zo klein, Zijn belofte blijft onverminderd bestaan: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20). Zijn de gelovigen die op één plaats in Zijn naam vergaderd zijn, ook met dit kleinste getal samengesmolten, hoewel ze er natuurlijk ver vanaf zijn om zich als de gehele gemeente van Christus te beschouwen – de Heer maakt zijn belofte waar, dat Hij onder hen wil met Zijn Geest en Zijn gaven. Ze worden door Hem erkend, Die, zoals we lezen in Zefanja 3 vers 12, met het ellendige en arme volk is dat op de Naam van de Heer vertrouwt, zoals toen in Israël, zo ook vandaag onder degenen, die Hem aanroepen uit een rein hart.
We hebben het nodig geacht eerst deze algemene punten te laten zien, voordat we in detail kijken naar de huidige stand van zaken.
Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert
Geplaatst in: Christendom, Gemeente
© Frisse Wateren, FW