Handelingen 20 vers 31-38; 21:1-14
Vers 31-38
Drie jaar lang had Paulus niet opgehouden elk van hen met tranen terecht te wijzen. De oudsten moesten nu blijven waken op dezelfde wijze en in dezelfde geest als Paulus in hun midden had gedaan. Tijdens zijn driejarig verblijf in Efeze hadden zij de gelegenheid “zijn leer, zijn wijze van doen, zijn bedoeling …” (zie 2 Tim. 3:10) te leren kennen, drie dingen waarop hij wees aan het begin van zijn afscheidsrede. Hij wees er ook op, dat hij niets had achtergehouden van wat nuttig was (vs. 20), en dat hij hun de hele raad van God had verkondigd (vs. 27). Voor broeders die door de Heilige Geest zijn bestemd om de gemeente van God te hoeden, zijn dit allemaal dingen die ook vandaag in ogenschouw moeten worden genomen. Temidden van het huidige verval bezit het in de ogen van God en voor het geloof nog steeds dezelfde grootheid en dezelfde waarde.
Vers 32-38 vormen het vierde deel van de toespraak van Paulus. Ten eerste vestigde hij de aandacht op de onuitputtelijke en onveranderlijke bronnen van hulp die de gemeente te allen tijde ter beschikking staan. Hij heeft de oudsten niet gezegd de kudde weer aan andere oudsten toe te vertrouwen bij hun heengaan; noch hij noch Petrus spraken op enigerlei wijze over apostolische opvolging.
De vrije bediening van de apostel was ten einde; maar God, die de gemeente gekocht heeft door het bloed van Zijn eigen Zoon en die Zijn raad aan Paulus heeft meegedeeld, zal Dezelfde blijven ten goede van Zijn gemeente, dat wil zeggen, zoals het Woord Hemzelf, Zijn wil, en de hulpbronnen van Zijn genade beschrijft. Dit Woord is in staat om op te bouwen en een erfdeel te geven onder alle geheiligden. Het bevat alles wat nodig is voor de persoonlijke en collectieve opbouw; het leidt de geheiligden, dat wil zeggen zij die in deze wereld apart gezet zijn met het oog op de eeuwige erfenis voor God, naar de beloofde erfenis in heerlijkheid. God en Zijn Woord zijn één. Zie ook Hebreeën 4 vers 12 en 13: “Het Woord van God is … en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart. En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.” Dit Woord is door de eeuwen heen onveranderd gebleven, evenals Degene van wie het afkomstig is. Wat blijft er voor ons over om naar te verlangen? Wij bezitten het vandaag in dezelfde frisheid en kostbaarheid als in de mooiste dagen van de gemeente. Maar laten wij het met grote overtuiging vasthouden tegenover hen die de volledige inspiratie ervan loochenen, en trachten datgene te openbaren wat de gemeente te Filadelfia kenmerkte: zij bewaarde het Woord en verloochende de Naam van de Heilige en Waarachtige niet.
In het 33e vers wordt ons verteld wat de apostel niet deed. Geen zelfzuchtig motief had hem gedreven tot zijn werkzaamheid onder de Efeziërs, in tegenstelling tot het gedrag van zovelen onder hen die vasthouden aan een zogenaamde apostolische opvolging.
In vers 34 en 35 herinnert hij hen aan zijn handelwijze in dit verband: hij had de Heer tot voorbeeld genomen. Enerzijds had hij hun de raad van God verkondigd en hen daar later in de brief aan de Efeziërs aan herinnerd, anderzijds had hij hun in die brief ook getoond hoe hun gedrag moest zijn onder de levensomstandigheden waaraan ieder mens op aarde is onderworpen: In gehoorzaamheid aan God moet ieder mens werken, ook de christen, maar niet alleen voor zijn eigen noden, maar ook voor de behoeften van de zwakken, en zo zal hij in staat zijn de Goddelijke liefde te tonen. Paulus schreef aan de Efeziërs (hfdst. 4:28): “Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft”. (Zie ook 1 Thess. 4:11,12.)
Om te onderstrepen wat gezegd is, haalde Paulus een woord van de Heer aan, dat niet letterlijk in de evangeliën te vinden is: “Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” In Lukas 14 vers 12-14 wordt een beeld gegeven van wat dit woord tot uitdrukking brengt.
Deze gedenkwaardige bijeenkomst in Miléte eindigde met een gemeenschappelijk, vurig gebed. “En zij barstten allen uit in groot geween en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig, het meest bedroefd over het woord dat hij had gezegd, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.”
Het is mogelijk dat Paulus een periode van vrijheid genoot na zijn eerste gevangenschap in Rome. Uit 2 Timotheüs 4 vers 13 blijkt dat hij een mantel achterliet bij Carpus in Troas en bij Trófimus ziek in Miléte (vs. 20); hij had ook besloten de winter in Nikópolis door te brengen (Titus 3:12). Maar verder zeggen de geïnspireerde geschriften niets over deze periode. Het werk van de vrije apostel werd voltooid met zijn gevangenneming (Hand. 21).
Dankzij zijn brieven uit Rome en andere plaatsen beschikt de gemeente over de leringen die de grote apostel mondeling aan de vergaderingen van die tijd heeft gegeven, en ook over de onderwijzingen die wij nodig hebben voor de eindtijd waarin wij nu zijn aanbeland.
Hoofdstuk 21
Men kan dit hoofdstuk niet lezen zonder diepe droefheid te voelen. De geliefde apostel, die God heeft grootgemaakt om Zijn raadsbesluit aan de volken te verkondigen, werpt zich uit liefde voor zijn volk naar het vlees, of althans voor zijn broeders in Jeruzalem, in de handen van de Joden en maakt zo een einde aan zijn vrije werkzaamheid! Nadat zij de Heer ter dood hebben gebracht en het getuigenis van de Heilige Geest hebben verworpen, zullen zij nu ook Paulus overleveren in de handen van de volkeren. Hij volgde zijn Meester hierin. Maar zij hadden nu alles verdorven, en alleen de weg naar bekering bleef open voor individuen. Israël is gedeeltelijk verhard totdat de volheid van de volken zal zijn ingegaan; maar dan zullen zij als voorwerpen van barmhartigheid – vanwege dezelfde genade die aan de volken is geschonken – de aardse beloften verkrijgen die aan hen zijn gegeven, een genade die hun haat steeds zo hoog had doen oplopen (Rom. 11:25-36).
Wat Paulus aanspoorde om naar Jeruzalem op te trekken, verduisterde op dat moment de heldere visie van de apostel op de bijzondere taak die hem was toevertrouwd. Het was zeker een goede zaak om de bijdrage van de gemeenten van Macedonië en Achaje naar de behoeftige broeders in Jeruzalem te brengen; maar de christen moet zich niet alleen laten leiden door wat op zichzelf goed is, maar door de wil van God. Toen Paulus na zijn bekering in Jeruzalem kwam, zei de Heer hem in een gezicht: “Haast je en vertrek uit Jeruzalem, want zij zullen je getuigenis van Mij niet aannemen.” En: “Ga want Ik zal je ver weg zenden naar [de] volken zenden” (Hand. 22:18-21). De twaalf konden nog in Jeruzalem blijven, hoewel de Heer hun ook had opgedragen het evangelie te verkondigen aan alle volken, te beginnen vanuit Jeruzalem. Maar het getuigenis van Paulus van een hemelse Christus, in wie zowel de gelovigen uit de Joden als die uit de volken tot één lichaam verenigd zijn, was voor de Joden veel onverdraaglijker dan dat van de twaalf.
Paulus had rekening moeten houden met wat de Heer hem had gezegd en niet moeten terugdeinzen voor de pijn van de verbreking van zijn joodse betrekkingen met het volk (Rom. 9:3). Hij deelde de liefde van de Heer voor Israël, die weende over Jeruzalem (Luk. 19:41) en riep door de profetische Geest uit: “Voor niets heb Ik Mij vermoeid, nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.” Maar de Heer bezat de troost: “Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.” (Jes. 49:4,6). Paulus had deze woorden gebruikt toen hij aan de Joden te Antiochië in Pisidië te kennen gaf, dat hij zich nu tot de volken zou wenden (Hand. 13:46). En nu? … Het is te zien, dat volmaaktheid alleen in de Heer gevonden wordt. De gelukkige apostel volgde Hem op de voet, maar hij was een man. Door zijn zwakheid komen de volmaaktheden van het Goddelijk Voorbeeld alleen maar meer naar voren.
Ondanks een zekere mate van eigenwilligheid die Paulus van de eigenlijke weg zou hebben afgeleid, volbracht God door hem al het werk dat Hij zich voorgenomen had te doen. Alleen nu moest Zijn geliefde dienaar pijnlijke ervaringen opdoen op de weg door Jeruzalem, terwijl er een andere weg was om in Rome te komen. De Heer verliet hem niet en bleef bij hem tot het einde van zijn weg.
Vers 1-14
Paulus en zijn metgezellen scheepten zich in na zich losgerukt te hebben uit de omhelzingen van broederlijke liefde van de oudsten van Efeze. In Pátara aangekomen, stapten zij over op een schip dat naar Fenicië voer en gingen in Tyrus aan land, waar zij zeven dagen verbleven. De discipelen vertelden Paulus door de Geest om niet naar Jeruzalem te gaan. Dit was een duidelijke aanwijzing van de Heilige Geest. Maar er wordt niet vermeld welke indruk het maakte op de apostel. Aan het einde van de zeven dagen werden zij, vergezeld door alle broeders, samen met hun vrouwen en kinderen, buiten de stad uitgeleid, waar zij samen op hun knieën baden.
Het is opmerkelijk dat ook de kinderen daarbij waren. De gelovigen moeten hun kinderen vertrouwd maken met alles wat het christelijk leven moet kenmerken. Zij behoren tot het huis van de christelijke vader en moeten ook zijn kenmerken dragen. Dit is reeds te zien in het Oude Testament: “Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!”, zei Jozua (Joz. 24:15; zie ook Ex. 13:8; Deut. 6:7; 11:19; 32:46). In 2 Kronieken 20 vers 13 lezen we: “Heel Juda stond voor het aangezicht van de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.” Het is te vrezen, dat dit in onze dagen dikwijls wordt veronachtzaamd, en dat de kinderen niet in de elementen van het christelijk leven worden ondergebracht. Zij lijken dan op die kinderen van wie in Nehemia 13 vers 24 wordt gezegd dat zij niet Joods spraken, de taal van Gods volk, maar de taal van de wereld waarmee hun vaderen zich hadden verbonden.
Van Tyrus gingen zij naar Ptolemaïs, waar zij een dag bij de broeders verbleven. De volgende dag kwamen zij te Caesaréa en gingen naar het huis van Filippus de evangelist, die één van de zeven dienaren was, die door de gemeente te Jeruzalem waren uitgekozen (hfdst. 6). Hij was de eerste die het evangelie naar de steden van Samaria bracht. De Geest had hem weggevoerd van de kamerling naar Asdod (hfdst. 8:40) en Filippus verkondigde toen het evangelie in alle steden, zelfs tot in Caesaréa, waar hij, naar het schijnt, woonde. Hij had trouw zijn taak als dienaar in Jeruzalem vervuld en had “zich een goede positie en veel vrijmoedigheid in [het] geloof dat in Christus Jezus is” verworven (1 Tim. 3:13). De leden van zijn gezin bewandelden dezelfde weg als hij. Hij had vier dochters, maagden, die profeteerden. Dit feit is helemaal niet in strijd met de leer van de apostel in 1 Timotheüs 2 vers 12 en 1 Korinthe 14 vers 34 en 35. Profeteren is niet alleen dingen zeggen die nog niet geopenbaard zijn. Spreken over de wederkomst van de Heer, of het licht van de waarheden van het Woord tot een ziel brengen, is ook profeteren; iedere zuster zou daartoe in staat moeten zijn, maar zou het niet in de samenkomst moeten doen. De dochters van Filippus hebben dus een gezegende dienst bewezen. Hun harten waren vervuld van Christus, en zij spraken er ook over met hun medemensen. De zegen van God rustte op het huis van Filippus vanwege zijn trouw.
Agabus, de profeet die reeds in het 11e hoofdstuk werd genoemd, kwam uit Judéa en profeteerde dat Paulus in Jeruzalem zou worden gebonden en overgeleverd in de handen van de volken. Dit was niet slechts een leiding van de Geest door de woorden van broeders, zoals in het vierde vers, maar een directe waarschuwing van de Heilige Geest, versterkt door een beeldende handeling, voor wat Paulus zou tegenkomen. Deze openbaring was niet gegeven aan de dochters van Filippus, maar aan een broeder.
Toen de metgezellen van Paulus en de broeders van Caesaréa dit hoorden, smeekten zij hem niet naar Jeruzalem op te trekken. “Toen antwoordde Paulus: Wat doet u, dat u weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de naam van de Heer Jezus.” Geweldige zelfverloochening en overgave! Maar dat was niet wat de Heer op dat moment van hem vroeg. Hij moest veeleer zijn loop volbrengen en de bediening die hij van de Heer Jezus had ontvangen, om te getuigen van het evangelie van de genade van God (Hand. 20:24). Was hij niet van plan naar Rome en naar Spanje te reizen? (Hand. 19:21; Rom. 1:14,15; 15:22-24). Jeruzalem stond niet op deze reisroute. De dienst die hij daar zou gaan verrichten was die van diaken en niet van apostolisch werk.
“Maar toen hij zich niet liet overhalen, zwegen wij en zeiden: De wil van de Heer zal geschieden!” De Heer staat boven alles, Zijn wil zal geschieden. Paulus zal naar Rome gaan, maar op een heel andere manier dan hij van plan was; hij zal de Heer trouw dienen; de vijand zal de overwinning niet hebben. Vanuit Rome zal hij schrijven: “En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het evangelie hebben gediend” (Fil. 1:12).
© www.haltefest.ch
Jaargang: 1961 – Bladzijde 141; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.
Geplaatst in: Christendom, Gemeente
© Frisse Wateren, FW