10 jaar geleden

De eerste dag van de week (2)

VERGADERD OM JEZUS

“Vrede zij u!”

Op de avond van de dag van de opstanding zijn de discipelen ‑ Thomas uitgezonderd ‑ bijeen gekomen. Hoezeer wellicht verspreid geweest gedurende de loop van die dag ‑ één zaak, die de harten van allen vervulde, verbond hen; één droefheid: het gemis van hun Meester, Wiens werk zij wel niet hadden verstaan, doch Wiens Persoon zij met heel hun ziel aanhingen, verenigde hen. Maar dezen, aldus verbonden van hart, zoeken elkanders nabijheid. En op de avond van die grote dag zien we hen samengekomen.

Tot welk doel zij naar die opperzaal waren gekomen, geeft de Schrift ons niet in ’t bijzonder te kennen. Maar uit de volgende woorden uit het Johannes-evangelie: “Toen het dan avond was op die eerste dag van de week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten …” (Joh. 20:19) blijkt het voldoende.

Waartoe die vrees? In een gewoon samenzijn, de dingen van dit leven betreffende, bestond er geen enkele reden om te vrezen en de toegang voor anderen te versperren (geheel in strijd met de gewoonte van het Oosten).

Maar duidelijk genoeg vreesden zij, omdat hun harten zich wilden uitspreken over Hem, die ‑ dood òf levend ‑ het voorwerp was van hun hart: Jezus, hun Heer. Zij wilden vrijuit kunnen spreken over “alles wat zij gehoord en gezien hadden”1, en dit alles stond met Hem betrekking. De “naam“, bij hen zo geliefd, maar bij de Joodse machthebbers zo gehaat, zou over hun lippen komen, de Jezus‑naam, waarvoor zij later smaad, ja, de gesel‑ en doodstraf zouden moeten verduren. En nu de Heilige Geest hen nog niet had aangegord met kracht uit de hoge, onttrokken zij zich zoveel mogelijk aan het spiedend oog en het luisterend oor van de vijand.

Al stond Jezus niet meer zichtbaar vóór hen, Zijn Naam kon voor hun bewustzijn niet worden uitgewist. Die Naam vertegenwoordigde voor hen Zijn heerlijke Persoon, met alles wat aan Hem verbonden was. Toen Jezus nog bij hen was, had Hij gesproken over het vergaderd zijn van twee of drie in ‑ eigenlijk tot ‑ Zijn naam2.

Hier zien we voor de eerste maal een tiental discipelen aldus vergaderd.

Belofte

Aan een dergelijk vergaderd zijn had de Heer Jezus een bijzondere belofte verbonden, namelijk deze: dat Hij dáár in het midden zou zijn2.

Hoewel zij, die nu zo vergaderd zijn, Hem niet aanschouwen met het lichamelijk oog, behoudt deze belofte niettemin haar VOLLE kracht. Waar ter wereld ook twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn, daar is Jezus Zelf in het midden van hen.

De bedoeling is hier niet, dat Jezus door de Geest tegenwoordig is. De tegenwoordigheid van de Geest in de gemeente, alsmede die in de gelovigen, is een andere dan Zijn persoonlijke tegenwoordigheid.

In de vergadering van de gelovigen komt aan die Geest, en aan Hem alléén, het gezag en de leiding toe. Maar de Geest vergadert niet om Zichzelf, maar om Jezus. Ook richt die Geest de aandacht van allen niet op Zichzelf, maar op de dingen van Jezus, op diens Persoon en werk, op al de heerlijkheid, die daarmede verbonden is, en op al de vruchten, welke daaruit voortkomen.
Is de Heer Jezus dus het middelpunt, rondom hetwelk wij vergaderd worden, ‑ de Heilige Geest is de kracht, waardoor dit vergaderen plaats vindt.

Wij lezen dan ook niet, dat toen de discipelen zo vergaderd waren, Jezus “bij” hen kwam3 maar dat Hij Zich in het midden van hen stelde, naar de letterlijke woorden van Zijn eertijds gedane belofte.
Neen, Hij was daar niet als een van hun; het getal van hen, die waren samengekomen, werd door Zijn komst niet met één vermeerderd. Hij nam Zijn eigen plaats in, de plaats, welke Hem alléén toekomt en die niemand anders kan innemen zonder in Jezus’ rechten te treden.

“… kwam Jezus, ging in het midden staan …” (Joh. 20:19b).

Welk een verrassing, welk een vreugde voor de discipelen!

Zij waren vergaderd om Hem te gedenken, over Hem te spreken als over een heengegane, Die zij toch niet konden ophouden lief te hebben met al de liefde van hun hart. Aldus vervuld met Zijn Persoon, maar tevens vervuld met droefheid over Zijn heengaan, werden hun gedachten toch niet bepaald bij die bijzondere belofte: dat Hij in hun midden zou komen.
Nu komt Jezus hun verslagenheid en de verwarring van hun gemoed te hulp, door Zich zichtbaar in hun midden te stellen.
Het is als wil Hij zeggen: “Weet u dan niet, wat ik tot U gezegd heb, toen ik nog bij u was: dat Ik dáár, waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zouden zijn, in hun MIDDEN zou zijn? ‑ Zie, hier ben Ik dan! Ik, die dood geweest ben, en die nu leef tot in alle eeuwigheid. Neen, Ik vergeet u niet, en Ik ben verblijd als ook u Mij niet vergeet.
Weest getroost! ‑ Hoewel heengegaan tot de Vader, blijf Ik in het midden van de Mijnen, zo dikwijls zij om Mij zijn geschaard, tot straks de tijd komen zal, dat zij dáár zullen zijn, waar Ik ben: in het Vaderhuis met de vele woningen, waarvan Ik u gesproken heb”.

Blijdschap

Welk een indruk moet dit komen van de Heer op de discipelen hebben gemaakt!

“Zij verblijdden zich toen zij de HEER zagen”4. Hoe kon het ook anders! Van Hem, het ware, het levende middelpunt, straalde licht en warmte hen tegen; dat werden zij hier, in Zijn tegenwoordigheid, allen gewaar.
Wèlke gevoelens ook tot nu toe hun harten hadden vervuld: liefde tot Zijn persoon, behoefte om zich over hem te uiten en Zijn naam te noemen, dankbaarheid, als zij dachten aan de jaren van omgang met hun Meester ‑ blijdschap hadden zij niet gesmaakt sinds die Meester uit het oog was verdwenen. Die vreugde kwam eerst door Hem Zelf in het midden te weten, door Hem te zien in levende werkelijkheid.

Was het al heerlijk om als achtergeblevenen aan Hem te denken ‑ Hem te aanschouwen was duizendvoudig meer, ja, het allerhoogste; toen voor de discipelen ‑ straks óók voor ons.
Want wel zijn wij reeds nu “kinderen van God” en hebben wij Hem lief, Die wij nu niet zien;5 maar de hoop is ons gegeven: “Hem te zien, zoals Hij is”6. Als die hoop in vervulling gaat, zal óók in onze harten voor niets anders plaats zijn dan voor blijdschap, die in dank en in aanbidding zich zal uitspreken.

Mochten allen, die het voorgaande lazen ‑ God geve: niet alleen met het verstand, maar óók met het hart ‑ zichzelf met ernst deze vraag voorleggen: kennen wij iets hiervan? Zijn dit voor ons slechts geestelijke waarheden, schone en verheven gedachten, òf zijn dit dingen, waarin eigen zielservaring haar weerklank en bevestiging vindt?
Vindt de Heer op de eerste dag der week ‑ de dag van de Heer ‑ óók ons aldus vergaderd, niet om een mens, maar rondom Hemzelf en Hém alléén?
Zijn wij ons daar bewust van het eigenlijke doel van dat samenzijn, namelijk om Hem te gedenken en Hem te prijzen en te danken; en is ons hart daartoe bereid, vervuld met Hem? Ervaren wij het daar, dat Zijn belofte gewis is, en dat Hij ‑ onzichtbaar doch in werkelijkheid ‑ in het midden is, zodat Zijn tegenwoordigheid ons verkwikt, en wij te midden van alle moeiten en smarten van het levens daarvan geheel worden losgemaakt, om ons alléén bezig te houden met “Hem die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader”? Zo ja ‑ dan zullen wij het dáár ook uitroepen: “Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen”.7 En aldus wordt in de gemeente in Christus Jezus aan God de heerlijkheid, de eer toegebracht8.

Zijn wij niet het allermeest dáár in Jezus’ Naam, dat is: rondom Zijn Persoon, vergaderd, waar wij, geschaard om de tekenen van Zijn lichaam en Zijn bloed, Hem vóór ons zien als het geslachte lam?
Dikwijls beseffen wij bitter weinig, hoe groot het voorrecht is, om aldus vergaderd te zijn en Jezus in het midden te hebben. Heerlijk voor het hart is zulk een samenzijn, waar die Heer niet het onderwerp van onderlinge besprekingen, doch het Voorwerp van alle aanbidding is. En wonderbaar is het feit, dat ook thans nog op deze aarde, zoals zij is met al haar onrust, nood en verwarring, een zodanig samenzijn kán plaats vinden. Mochten wij het meer waarderen! Het is toch niets minder dan een voorproef, een beeld in het klein, van hetgeen in de hemel voor eeuwig ons deel zal zijn.

Jezus, het Middelpunt

In Openbaring 5, dat ons ‑ met hoofdstuk 4 – door een geopende deur in de hemel doet blikken, lezen wij:

“En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam, staande als geslacht”.9

Het eens op aarde geslachte Lam wordt gezien in de hemel, in het midden zowel van de oudsten als van de troon en de vier dieren. Die “oudsten” zijn de hemelse heiligen, waartoe alle gelovigen door de dood en de opstanding van Christus zullen behoren. De “troon” en de “vier dieren” stellen voor: de zetel en de uitvoering van de oordelen van God.
Welnu, gelijk Christus, het geslachte Lam, het middelpunt uitmaakt niet slechts van Gods liefderaad maar óók van Zijn oordelen, zo maakt Hij tevens het middelpunt uit van de heiligen in de hemel. Maar méér nog ‑ Hij is het reeds nu van de heiligen op aarde, zo dikwijls zij in Zijn naam vergaderd zijn.

Welk een gedachte! Wij, de heiligen, hebben hetzelfde voorwerp, dezelfde Persoon tot middelpunt als God‑Zelf! Voorwaar, in geen mensenhart kon ooit de gedachte opkomen aan datgene, wat in Gods hart geweest is om aan ons te schenken.
Maar ‑ laat ons niet vergeten: hetgeen van Gods zijde een onmetelijk grote genade is, dat legt ook een onmetelijk grote verantwoordelijkheid op ons. Waar toch God ‑ om menselijk te spreken ‑ niets beraamt noch uitvoert buiten Christus om, hoe zouden wij dan iets doen of beramen buiten Christus, dat wil zeggen zonder ons rekenschap te geven of alles in overeenstemming met de wil van de Heer en wat Hem waardig is!
Dat verhoede God, opdat wij geen oneer aandoen aan die Naam, in welke wij vergaderd zijn, en die wij in onze samenkomsten aanroepen!

NOTEN:
1. 1 Johannes 1:1 en 3; Handelingen 4:20.
2. Mattheüs 18:20.
3. Vroeger was Jezus bij hen. Zie Johannes 16:4b en 14:25; alsmede Lukas 24:44.
4. Johannes 20:20b.
5. 1 Petr. 1:8a.
6. 1 Joh. 3:2.
7. Openbaring 1:5b en 6.
8. Efeze 3:21.
9. Openbaring 5:6.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW