Kijk uit, kijk om je heen en kijk omhoog
21 maart 2020
IV. Erken angsten
Als we denken aan het corona-virus en de reacties van de wereld erop, is er één woord dat in ons op komt, namelijk angst. In sommige opzichten is het echter moeilijk om over angst te schrijven. Moeten we onze angsten accepteren? Ze negeren? Ze onderdrukken? Ze veroordelen? Ik ga kort op dit onderwerp in terwijl ik probeer enerzijds niet hoogmoedig te klinken noch losgeslagen anderzijds.
Op een zeer fundamenteel niveau is angst gewoon onderdeel van de menselijke psyche. Vroeg in het leven ontwikkelen we bepaalde angsten die eigenlijk belangrijk zijn voor de gezondheid en het overleven. In 1960 ontwierpen onderzoekers een ‘visuele rots’ als experiment waarin zuigelingen van tien maanden jong weigerden om boven een plek van waargenomen gevaar te kruipen. Angsten die ons helpen om gevaar te vermijden, zijn tot op een bepaald punt, normaal en zelfs noodzakelijk.
Ergens onderweg kan angst iets anders worden. Sommige mensen ontwikkelen irrationele fobieën zoals agorafobie (angst voor openbare plaatsen), dendrofobie (angst voor bomen) en venustrafobie (angst voor mooie vrouwen – Ik verzeker u, dat ik dit niet heb verzonnen!). Zulke angsten kunnen erg slopend zijn, ook al zijn ze in feite ongegrond.
Verder worden alle angsten versterkt door spanning voor het onbekende. Zij die voor het eerst vliegen en reizigers die miljoenen kilometers reizen, reageren heel verschillend op vliegtuigen. En ik weet zeker dat de roman (wat ‘nieuw’ betekent) coronavirus precies in deze categorie van onbekende angsten past.
In de bijbelse visie houdt angst altijd verband met het bestaan van zonde – niet perse ‘jouw’ zonde op een bepaald moment, maar de realiteit van de zonde in de wereld. Angsten ontstonden voor het eerst toen zonde de relatie tussen God en mensen onderbrak (Gen. 3:10-11). De zonde bracht ook de dood in de wereld, dus we zouden kunnen zeggen dat al onze angsten, of ze nu gezond zijn of misplaatst, verbonden zijn met de angst voor de dood (verg. Hebr. 2:14-15). Mensen willen overleven en daarom hebben we angsten. (Het christelijk geloof spreekt dit belangrijke punt diepgaand aan, maar ik laat dat nu even terzijde.)
Voor christenen en dagelijkse angsten vind ik het geweldig dat de Bijbel onze toestand met realistische ingewikkeldheid aanspreekt. De apostel Paulus zei bijvoorbeeld dat God christenen geen “geest van bangheid” heeft gegeven (2 Tim. 1:7). Maar Paulus schreef ook ooit dat hij zich omringd voelde door angsten vanwege problemen (2 Kor. 7:5). Was Paulus dan tegenstrijdig? Neen. De geest van bangheid – die verlammende angst die onze zielen vult en verduistert – komt nooit van God. Maar als we ooit bang zijn, hebben we geen zonde begaan door het toe te geven.
Voor gelovigen in God is het de vraag: als we angst voelen, wat gaan we dan doen? Een prachtige uitdrukking komt uit Psalm 56 vers 4, toen David tot God zei: “Op de dag dat ik vrees” – wat dan? Zal ik mij schamen? Zal ik het verdoezelen? Zal ik doen alsof ik dat niet ben? Neen. David zei tot God: “Op de dag dat ik vrees, vertrouw ík op U.”
Wordt DV vervolgd.
© Steve Campbell, Amerika
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW