Bijbelplaatsen: Mattheüs 19 vers 26; Markus 10 vers 27; Lukas 18 vers 27
Onze God is een groot en machtig God, die Zich in Zijn almacht telkens weer bewijst als een God die wonderen verricht. Voor Hem is niets onmogelijk (Luk. 1:37); voor Hem zijn alle dingen mogelijk.
In alle drie de synoptische evangeliën wordt de waarheid benadrukt, dat niets voor God onmogelijk is (Mattth. 19:26; Mark. 10:27; Luk. 18:27). God wil ons kleine geloof, dat zo vaak wanhoopt voor schijnbaar onoverkomelijke hindernissen, te hulp komen. Maar de God die het volk Israël met sterke hand door de Rode Zee leidde, de muren van Jericho voor hen deed vallen, Daniël uit het kuil van de leeuw redde en Jona uit de buik van de vis verloste, is nog steeds dezelfde God “bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering” (Jak. 1:17).
Ook in onze dagen, aan het einde van de genadetijd, zelfs tegenover het verval en de ongehoorzaamheid in het christendom, waartoe ook wij behoren, blijft deze waarheid overeind, dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Dit besef versterkt ons geloof en is troost voor het moedeloze hart, vooral in dagen van kleine kracht (Openb. 3:8). Maar de vraag is in hoeverre wij daadwerkelijk rekenen op de almacht van God in ons dagelijks leven.
Als we ons er enerzijds van bewust zijn, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, weten we anderzijds, dat God vaak wegen met Zijn kinderen heeft die wij niet begrijpen. Vaak grijpt Hij niet in ten gunste van Zijn kinderen en houdt Hij Zich – zo lijkt het – verborgen, omdat Hij andere doelen met hen nastreeft die wij misschien pas in de hemel ten volle zullen begrijpen. Maar ook dan weet het geloof, dat God altijd het beste met de Zijnen voorheeft en dat “alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen” (Rom. 8:28).
Maar hoe geweldig de almacht van God ook is, er is één ding, dat Hij niet kan – de verloren zondaar naar het liefdevolle hart van God brengen. Daarvoor moest de Heer Jezus uit de heerlijkheid van de hemel naar deze vervloekte aarde komen. Daarvoor moest Hij werkelijk Mens worden en het grote verlossingswerk aan het kruis volbrengen. In de hof van Gethsémané viel Hij op Zijn aangezicht en bad tot Zijn Vader dat, als het mogelijk was, deze beker Hem mocht voorbijgaan (Matth. 26:39). Maar dit was niet mogelijk, “want het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt” (Hebr. 10:4). Zijn bloed moest vloeien aan het kruis, want “zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hebr. 9:22).
Wat moet het voor Hem, de enige zondeloze, betekend hebben om daar aan het kruis tot zonde gemaakt te worden en de beker van de toorn van God te drinken! Zijn heilige ziel deinsde ervoor terug. Maar de gehoorzame Mensenzoon voegde daaraan toe: “… echter niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt]” (Matth. 26:39). Aanbiddingswaardige Heer! Wat Zijn Goddelijke almacht niet kon doen, heeft Zijn grenzeloze liefde volbracht. Hoe waar is toch, wat we vinden in Hooglied 8 vers 6 en 7: “Want de liefde is sterk als de dood, de hartstocht onstuitbaar als het graf. Haar vonken zijn vurige vonken, vlammen van de HEERE. Vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen en rivieren spoelen haar niet weg.”
Het is diezelfde liefde die nu “de dingen in beweging brengt” in de zorg voor de Zijnen. Hij was bereid voor ons naar het kruis te gaan. Nu staat Hij klaar in de hemel om ons te helpen, zelfs om wonderen voor ons te doen. Beide doen ons deze glorieuze Persoon bewonderen.
Daniel Melui; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 16.02.2021.
Geplaatst in: Christendom, Zonde
© Frisse Wateren, FW