16 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (26)

Dit keer kunnen we onder andere zien hoe een innerlijke overtuiging zo sterker kan zijn, dan een woord door de Heilige Geest gesproken. Uit de gebeurtenissen die hierop volgen, zien we echter ook hoe de Heer boven deze vergissing van de apostel stond. God deed er iets goeds uit voortkomen, hoewel er vele problemen voor de apostel uit ontstonden. Kennen wij dit ook niet? De apostel verloor zijn vrijheid in overeenstemming met de profetie van Agabus. Toch zien we ook hoe God de grimmigheid van de mensen weet te gebruiken. Als gevangene schreef de apostel verschillende door de Heilige Geest geïnspireerde Brieven die de gemeente van God sindsdien tot op de dag van vandaag opgebouwd en bewaard hebben. In deze trant schreef F.B. Hole over deze vergissing van de apostel Paulus. En laten we de apostel niet hard vallen want hoe overtuigd zijn wij niet van sommige dingen, zodat er voor het Woord van God geen ruimte meer is …

Hoofdstuk VI

Paulus derde zendingsreis

Deel 1: 32-814 n. Christus

Handelingen 21. Terwijl Paulus en zijn reisgenoten van Miléte wegzeilen, keren de oudsten met een bedroefd hart naar Efeze terug. Achtereenvolgens bereikte het schip, waarmee dat Paulus reisde, Cos, Rhodus, Pátara en Tyrus. Uit hetgeen te Tyrus plaats vond, (enigszins aan het toneel te Miléte gelijk) is te zien, hoe spoedig Paulus de weg vond tot het hart van de discipelen. Hoewel hij niet langer dan een week te Tyrus vertoefde, en vroeger met de Christenen aldaar in het geheel niet bekend was, had hij in die korte tijd hun genegenheid gewonnen. “En zij deden ons allen met vrouwen en kinderen uitgeleide tot buiten de stad”, zegt Lukas, “en aan de oever knielden wij neer en baden” (vers 5). Het schijnt ook, alsof een geest van de profetie over deze toegenegen Tyriërs was uitgestort; want zij waarschuwden de apostel niet op te gaan naar Jeruzalem. Van Tyrus kwam Paulus in Ptolemaïs, waar zij één dag bleven. In Cesaréa logeerden zij in het huis van Filippus, de evangelist, die één van de zeven diakenen was. Hij is ons reeds welbekend, maar het is niet onbelangrijk hem, na een tussenruimte van meer dan twintig jaar, opnieuw te ontmoeten. Hij had thans vier dochters, maagden, die profeteerden. Hier voorspelde Agabus, de profeet van Judéa, Paulus’ gevangenneming, en zei hem, “dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem” (vers 12). Al de discipelen zeiden hetzelfde, en smeekten hem met tranen zijn voornemen op te geven. Maar hoezeer Paulus’ liefhebbend en gevoelig hart bewogen zal geweest zijn door de smekingen en tranen van zijn vrienden en van zijn eigen kinderen in het geloof, liet hij zich niet afbrengen van zijn voornemen. Hij gevoelde zich gebonden in zijn geest om te gaan, en wenste alle gevolgen te laten in de hand van de Heer.

Nu zijn wij genaderd tot

Paulus’ vijfde bezoek aan Jeruzalem

(58 na Chr.)

De apostel en zijn reisgenoten werden hartelijk verwelkomd bij hun aankomst te Jeruzalem. “En toen wij te Jeruzalem gekomen waren”, verhaalt Lukas, “ontvingen ons de broeders met blijdschap” (vers 17). De volgende dag bezochten Paulus, en die met hem waren, Jakobus, in wiens huis de oudsten tegenwoordig waren. Paulus  verhaalde in bijzonderheden, wat God door zijn dienst onder de heidenen gewerkt had. Doch hoewel zij daar belang in stelden en de Heer prezen vanwege het goede dat zij hoorden, waren zij toch niet op hun gemak. Zij bepaalden de aandacht van Paulus op het feit, dat een groot aantal Joden, die van Jezus geloofden dat Hij de Messias was, ijverig de wet van Mozes onderhielden, en sterk tegen Paulus bevooroordeeld waren.

De belangrijke kwestie tussen Paulus en de oudsten was nu, hoe men aan de vooroordelen van deze joodsgezinde Christenen zou tegemoet komen. Het was bekend, dat menigten van Joden, zowel bekeerd als onbekeerd, tezamen zouden stromen wanneer zij Paulus’ aankomst vernamen. Lang hadden zij geloof gehecht aan de ernstige en zware beschuldigingen tegen hem, als leerde hij “alle Joden die onder de volken zijn, afval van Mozes, door te zeggen dat zij de kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken wandelen” (vers 21). Wat was er nu te doen? De oudsten stelden voor dat Paulus in het openbaar zou tonen, dat hijzelf de wet gehoorzaamde. Welk een pijnlijke en moeilijke positie voor de apostel van de volken! Hoe moet hij nu handelen? Zal de boodschapper van het evangelie van de heerlijkheid, de verkondiger van de hemelse roeping van de gelovigen, afdalen tot de voorschriften aangaande de Nazireërgeloften? Dit was het probleem. Weigert hij toe te geven aan hun wens, dan zal de loerende achterdocht van de Joden bevestigd worden; handelt hij overeenkomstig hun verlangen, dan moet hij zichzelf vernederen, voor het ogenblik zijn hoge roeping vergeten, zich schikken naar de onkunde, de vooroordelen en de hoogmoed van de joodsgezinden. Maar hoe kan hij anders? Hij bevindt zich in het middelpunt van een dwepend jodendom; en al mislukte het hem zijn oprecht begeren was toch de gemeente te Jeruzalem te winnen voor een zuiverder en verhevener Christendom.

Velen hebben de houding van de apostel in deze geschiedenis tamelijk scherp beoordeeld. Maar hoewel het ons recht is in een geest van nederigheid alles te onderzoeken, wat de gewijde geschiedschrijver opgetekend heeft, vrezen wij dat sommigen wat te ver gegaan zijn in het spreken van harde dingen over de apostel. Wel mogen wij nagaan, hoe ver de wil en de genegenheden van Paulus bij deze gelegenheid hun invloed op hem hebben uitgeoefend, zodat hij de waarschuwingen van de Geest, door middel van zij broeders, weinig achtte; maar het voegt ons niet minder te blijven binnen de grenzen van hetgeen de Heilige Geest Zelf uitgesproken heeft.

Laten wij nu de feiten beschouwen, die de apostel geleid hebben tot dit belangrijk tijdvak in zijn levensgeschiedenis.

Rome had lang op zijn hart gelegen. Hij had een sterke begeerte om aldaar het evangelie te prediken. Dit was goed, dit was in overeenstemming met God, dit was  niet het eigen ik; want hij was de apostel van de volken. God had daar een heerlijk werk tot stand gebracht zonder een apostel, want tot nu toe was geen apostel in Rome geweest. Paulus had het voorrecht gehad een brief te schrijven aan de Romeinen; en in die brief drukt hij zijn vurig verlangen uit hen te zien en onder hen te arbeiden. “Want ik verlang zeer u te zien”, zegt hij, “om u enige geestelijke genadegave mee te delen tot uw versterking”. Zo was zijn gemoedsstemming en het doel  dat hij zich voorstelde; en wij moeten dit in het oog houden bij het overwegen van dit deel van zijn geschiedenis. Vergelijk Romeinen 1:7-15 met 15:15-33.

Het eind van Paulus’ vrije werkzaamheid

Wij zijn nu genaderd tot het punt waar Paulus’ geschiedenis een heel andere wending neemt. Zal hij rechtstreeks naar Rome, of zal hij langs een omweg over Jeruzalem gaan? Alles hangt daarvan af. Jeruzalem ging hem ook na aan het hart. Maar indien Christus hem ver weg naar de heidenen had gezonden, kon dan de Geest – van Christus wege – hem naar Jeruzalem heensturen? Het was juist hier, geloven wij, dat de apostel toegaf aan de verlangens van zijn eigen hart; en al waren deze verlangens schoon en goed op zichzelf, zij waren op dat ogenblik niet naar de gedachten van God. Hij had zijn volk vurig lief, vooral de arme heiligen te Jeruzalem; en in diezelfde stad zeer verkeerd begrepen zijnde, wenste hij zijn liefde voor de armen van zijn volk te bewijzen door hun persoonlijk de offeranden van de volken over te brengen. “Nadat ik dan dit volbracht, en hun deze opbrengst afgedragen zal hebben, zal ik door uw stad naar Spanje gaan” (Romeinen 15:28). Zeker, zal menigeen zeggen, dit was te prijzen als een blijk van grote liefde! Ja, maar slechts aan één zijde, en die éne zijde, helaas! was de zijde van de natuur, niet die van de Geest.

“En nadat wij de discipelen gevonden hadden, bleven wij daar zeven dagen. Dezen zeiden tot Paulus door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem” (vers 4). Dit is duidelijk genoeg; maar Paulus helde op het ogenblik over naar de kant van zijn liefde tot de armen onder de heiligen te Jeruzalem. Kon er, zo zouden wij willen vragen, een fout bestaan die meer vergeeflijk was? Onmogelijk! Zijn belangstelling voor de armen en het genoegen van persoonlijk hun de gaven van de volken over te brengen, deden hem om Rome te bezoeken, een omweg maken over Jeruzalem. Niettemin was het een fout, en een fout, die aan Paulus zijn vrijheid kostte. Zijn vrije werkzaamheid eindigt hier. Hij liet aan de natuur haar vrijheid, en God liet toe dat de volken hem zijn vrijheid ontnamen, hem bindende met ketenen. Zo openbaarde de Meester zijn oprechte liefde tot Zijn dienstknecht. Paulus was te dierbaar in Zijn ogen, dan dat de Heer zou nalaten hem de wettige gevolgen van zijn handelingen te doen ondervinden; en hij zou tevens bewijzen verstrekken, dat noch Jeruzalem noch Rome de hoofdstad van het Christendom zijn kon. Christus, het Hoofd van de gemeente, was in de hemel, en dáár alleen kon de hoofdstad van het Christendom zijn. Jeruzalem vervolgde de apostel, Rome maakte hem tot gevangene en tot martelaar. Toch was de Heer met Zijn dienstknecht tot zijn eigen bestwil, tot bevordering van de waarheid, tot zegen voor de gemeente en tot heerlijkheid van Zijn eigen grote Naam.

Mogen wij hier één opmerking maken? Hoe vele geschiedenissen, sedert dit vijfde bezoek van Paulus aan Jeruzalem, vertonen hetzelfde karakter! Hoe vele gelovigen zijn gebonden geweest met banden van verschillende aard; en wie zal zeggen waarom of waarvoor? Ieder van ons – tenzij wij verlicht waren door de Geest – zou gezegd hebben, dat de apostel niet in beweging kon worden gebracht door een waardiger beweegreden, toen hij, gaande naar Rome, een omweg nam over Jeruzalem. Maar de Heer had hem niet gezegd dit te doen. Daarvan hangt alles af. Hoe nodig is het daarom, bij elke stap op onze levensweg, dat wij Gods Woord hebben voor ons geloof, de dienst van Christus als onze beweeggrond, en de Heilige Geest tot onze Leidsman.

Wij verlieten Paulus, zittende met de oudsten in het huis van Jakobus. Zij hadden hem op het denkbeeld gebracht van een zekere poging om de joodsgezinde gelovigen te verzoenen; en de beschuldigingen van zijn vijanden te weerleggen. Trouweloosheid jegens zijn volk en de godsdienst van zijn vaderen waren de hoofdaanklachten, die tegen hem ingebracht waren. Onder de oppervlakte van de dingen echter, en vooral bij het licht, dat de Brieven er over verspreiden, ontdekken wij de wortel van de gehele zaak in de vijandschap van het menselijke hart tegen de genade van God. Om dit te verstaan moeten wij in het oog houden, dat Paulus een tweevoudige bediening had.

  1. Was zijn zending: de prediking van het evangelie in de ganse schepping, die onder de hemel is, niet alleen ver buiten de grenzen van het jodendom, maar in volmaakte tegenstelling daarmee.
  2. Was hij ook de dienaar van de gemeente van God, die haar verheven standpunt en heerlijke voorrechten bekend maakte, als één met Christus, de verheerlijkte Mens in de hemel.

Deze gezegende waarheden verheffen de ziel van de gelovigen ver boven de godsdienst van het vlees, al is zij ook nog zo overvloeiend van inzettingen en vrome werken. Geloften, feesten, offeranden, vasten, wassingen, overleveringen, zowel als redeneringen van het verstand, worden allen uitgesloten, als van geen waarde voor God en in tegenspraak met de eigen aard van het Christendom. Dit ergerde de vrome jood met zijn overleveringen en de onbesneden Griek met zijn wijsbegeerte; en de twee tezamen vervolgden de oprechte getuige van dit tweevoudig getuigenis. En zo is het altijd geweest. De godsdienstige mens met zijn inzettingen en de natuurlijke mens met zijn wijsheid verenigen zich, volgens een eigenaardig proces, tot de hevigste weerstand tegen het getuigenis van een hemels Christendom (zie Kolosse 1 en 2).

Indien Paulus de besnijdenis had gepredikt, zou de ergernis van het kruis hebben opgehouden; want dit zou de joodsgezinde ruimte hebben gelaten om iets te zijn en iets te doen, zelfs om deel te nemen in de dienst van God. Maar het evangelie van de genade van God komt tot de mens, als zijnde reeds verloren, als “dood in misdaden en zonden” (Efeze 2:1), en ontziet de jood zomin als de heiden. Zoals de zon aan het uitspansel, werpt het zijn stralen uit over allen. Geen natie, geslacht, tong of volk, waarover het zijn licht niet verspreidt. Predik het evangelie “aan alle creatuur” is het goddelijk bevel en de wijde sfeer voor de evangelist; hun, die dat evangelie geloven, hun volmaaktheid in Christus te leren is het voorrecht en de roeping van elke dienaar van het Nieuwe Testament.

Ons aldus uitgesproken hebbende over de drijfveren en de bedoelingen en het standpunt van de grote apostel, gaan wij nu over tot de overdenking van dat gedeelte van zijn leven, waarin hij voor koningen en stadhouders, zelfs voor de keizer zou gesteld worden, om de naam van de Heer Jezus.

Paulus in de tempel

Toegevende aan het voorstel van Jakobus en de oudsten, ging Paulus nu naar de tempel met de vier mannen, die een gelofte hadden gedaan. “Toen nam Paulus de mannen mee en na zich de volgende dag gereinigd te hebben, ging hij met hen in de tempel en kondigde de vervulling van de dagen der reiniging aan, [namelijk] als voor een ieder van hen het offer gebracht was” (vers 26). Bij de vervulling van de Nazireër-gelofte eiste de wet, dat zekere offeranden in de tempel gebracht zouden worden. Deze offeranden veroorzaakten grote kosten, zoals wij kunnen zien in Numeri 6 en het werd beschouwd als een daad van grote verdienstelijkheid en vroomheid, wanneer een rijke deze offeranden bekostigde voor een arme, hem in staat stellende zijn gelofte te vervullen. Paulus was niet rijk, maar hij had een ruim en liefhebbend hart, en nam in edelmoedigheid op zich om de kosten te dragen voor de vier arme Nazireërs. Dergelijke bereidvaardigheid bij Paulus om de een aangenaam te zijn en de ander te helpen, had de Joden moeten bevredigen en verzoenen; en waarschijnlijk zou dit gebeurd zijn, als er enigen van Jakobus tegenwoordig geweest waren; maar bij de gezworen ijveraars had het de tegenovergestelde uitwerking, hun verbittering tegen hem nam er door toe. De viering van het feest had menigten van mensen naar de heilige stad gelokt, zodat de tempel opgevuld was met aanbidders uit alle landen.

Onder deze vreemde Joden waren er enigen uit Azië, waarschijnlijk van Paulus’ oude tegenstanders uit Efeze, die verblijd waren een gelegenheid te hebben zich te wreken op degene, die vroeger hun aanslagen verijdeld had. Tegen het einde van de zeven dagen, waarin de offeranden zouden geofferd worden, zagen de Aziatische Joden Paulus in de tempel. Onmiddellijk vielen zij op hem aan, roepende: “Mannen van Israël, helpt! Dit is de mens, die overal iedereen leert tegen het volk en de wet en deze plaats; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en deze heilige plaats ontheiligd … En de hele stad kwam in rep en roer en het volk liept te hoop; en zij grepen Paulus en sleepten hem buiten de tempel; en onmiddellijk werden de deuren gesloten” (vers 28,30). Alleen heilige vrees van bloed te vergieten in de gewijde plaats, hield de dolle menigte terug van Paulus in stukken te scheuren. Zij beijverden zich dus hem snel uit de tempel te verwijderen, en buiten de gewijde omgeving te slepen. Alvorens echter hun moordplan tot uitvoering kon komen, beschikte de Heer hulp, zodat zij onverwacht gestoord werden.

De wachters aan de poorten deelden ongetwijfeld dadelijk aan de Romeinse bezetting, die tegenover de tempel haar kwartier had, mee, dat in de voorhof een oploop plaats greep. De overste, Claudius Lysias, krijgsknechten en hoofdlieden over honderd tot zich nemende, liep onmiddellijk naar de plaats toe, waarop de Joden dadelijk ophielden met Paulus te slaan. Zodra de overste bemerkte, dat Paulus het voorwerp van de algemene verbittering was, greep hij hem, en liet hem met een keten aan elke hand vasthechten aan een krijgsknecht (zie Handelingen 12:6).

Daarna stelde Lysias een onderzoek in naar de ware oorzaak van het tumult; maar daar hij van de onkundige en verbitterde schare het zekere niet kon te weten komen, beval hij de gevangene in de legerplaats te brengen. De teleurgestelde menigte drong nu met onstuimigheid aan op haar slachtoffer. Zij zagen hem uit hun handen gesleurd, en zó hevig drongen zij op de krijgsknechten aan, dat Paulus op hun armen de trappen van het hoofdkwartier opgedragen werd; ondertussen verhief zich een oorverdovend geroep uit de menigte beneden: “Weg met hem!”

In dit kritieke ogenblik behield de apostel grote tegenwoordigheid van geest, en beheerste hij volkomen de bewegingen van zijn gemoed. Hij handelt omzichtig zonder op enigerlei wijze de waarheid in de waagschaal te stellen. Aan de ingang van het soldatenkwartier richt Paulus de bescheiden vraag tot de overste: “Is het mij geoorloofd u iets te zeggen?” Deze antwoordde: “Kent gij, Grieks? Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die enige tijd geleden oproer maakte en de vierduizend rovers naar de woestijn uitleidde?” Maar Paulus zei: “Ik ben een Joods man uit Tarsus, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, vergun mij tot het volk te spreken” (vers 36-40). Dit verzoek werd toegestaan. Paulus had reeds de eerbied gewonnen van de Romeinse overste, en misschien reeds invloed verkregen op zijn gemoed. Maar de hand van de Heer, die over Zijn dienstknecht waakte, was in dit alles. Paulus had zich in de hand van zijn vijanden geworpen, door te trachten de ongelovige Joden te behagen; maar God was met Hem en wist hoe Hij hem bevrijden zou uit hun macht, en dit gebruiken zou tot de verheerlijking van Zijn eigen grote Naam (Handelingen 21:26-40).

Paulus’ toespraak op de trappen van het Romeinse hoofdkwartier

Handelingen 22. Tot de overste had hij gesproken in het Grieks, tot de Joden spreekt hij in het Hebreeuws. Deze schijnbare kleinigheden zijn de vrucht van de liefde, gepaard met wijsheid, en behoren ons tot lering te zijn. Hij was altijd gereed om “allen alles te zijn, opdat hij er meer zou winnen” (zie 1 Korinthe 9:22). Wij zien de wonderlijke werking van zijn invloed op de woedenden schare, zowel als over de bevelvoerende overste. Zodra hij tot hen sprak, was het gehele toneel veranderd. Hij bedaarde de woelige zee van de menselijke hartstocht door de klank van hun eigen heilige taal. Zij viel als olie op de beroerde wateren; onmiddellijk kwam er stilte. Wij vinden zijn schone verdediging voor zijn broeders en vaders breedvoerig in Handelingen 22:1-21.

Onder het lezen zal het ons treffen, hoe zijn volksgenoten met grote aandacht luisterden, terwijl hij hun sprak van zijn vroeger leven, zijn vervolgen van de gemeente, zijn zending naar Damaskus, zijn wonderbaarlijke bekering, zijn visioen in de tempel en zijn gesprek met Ananias; maar zodra roerde hij zijn zending tot de heidenen niet aan, of een uitbarsting van grenzenloze verontwaardiging steeg op uit de met mensen opgepropte ruimte beneden hem, en noodzaakte hem stil te houden. De gedachte, dat Gods genade zich ook over de volken uitstrekken zou, was hun ondragelijk, en verwekte hen tot woede. Hun nationale trots verzette zich tegen het denkbeeld, dat onbesneden heidenen op één lijn zouden staan met Abraham’s kinderen. Met toornige verachting overschreeuwden zij elk bewijs, van mensen of van Godswege, dat op hun gevoel invloed zou hebben kunnen uitoefenen. Tevergeefs legde de apostel grote nadruk op hetgeen plaats gevonden had tussen hemzelf en de vrome Ananias. Elk beroep was ijdel, zodra het uitliep op de erkenning van de heidenen. Er volgde nu een toneel van de meest woeste verwarring. Zij smeten hun kleren van zich, wierpen stof in de lucht, en verhieven hun stemmen, zeggende “weg van de aarde met zo iemand; want hij behoort niet te blijven leven” (22:22).

Toen de overste de tot razernij gestegen woede van het volk opmerkte, terwijl hij niet begreep waaruit dit voortsproot, kwam hij in verlegenheid. Hij zag de uitwerking van een toespraak in de Hebreeuwse taal (die hij waarschijnlijk niet verstond); en daar hij natuurlijk denken moest, dat zijn gevangene aan enige hoofdmisdaad schuldig stond, beval hij hem te binden en te geselen, ten einde zodoende de belijdenis van zijn schuld uit hem te krijgen. Paulus echter stuitte dit onmiddellijk door de mededeling, dat hij een Romeins burger was. De krijgsknechten, die bezig waren, hem te binden, weken ontsteld terug, en waarschuwden de overste tegen hetgeen hij bevolen had. Lysias liep dadelijk toe, en zei tot hem: “Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zei: ja. En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben het door geboorte” (vers 27-28). Lysias was nu in een nieuwe moeilijkheid. Een Romeins burger aan zo’n vernederende behandeling over te geven was hoogverraad tegen de majesteit van het Romeinse volk. Toch bestond er geen andere weg om Paulus’ leven te beveiligen dan dat hij hem in bewaring hield. Gelukkig bedacht hij een zachtere weg om de aard van het misdrijf van de gevangene te leren kennen.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:

Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW