2 Thessalonika 2 (8)
Wat zou ons meer kunnen bemoedigen dan de gedachte aan de komst van onze Heer en Heiland voor de Zijnen om hen vervolgens als Zijn Bruid voor te stellen aan Zijn Vader? Maar wat denken wij hier van: Christus kijkt met met zielsverlangen uit naar het ogenblik, waar Hij de gelovigen bij Zijn komst als Zijn Bruid tot Zich neemt. Is het niet ontroerend daaraan te denken, dat de Heer Jezus veel meer naar dit ogenblik van de opname verlangt dan alle gelovigen tezamen? Is dat niet een vernieuwde reden, Hem met brandende harten te verwachten? ….
2 THESSALONIKA 2:15-3:5
Vers 15: “Daarom, broeders, staat vast en houdt de inzettingen die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze brief”.
De gelovigen in Thessalonika hebben het evangelie van de apostel en zijn medearbeiders gehoord. Zo moesten zij ook hen verder met het oog op de waarheid vertrouwen. Zij moesten vast staan in het werk van God en vasthouden aan Zijn Woord. De overleveringen: Dikwijls wordt dit begrip in het Nieuwe Testament in een negatieve betekenis gebruikt en betekent dan de traditionele (mondeling/schriftelijk) doorgeven van menselijke gedachten (Mattheüs 15:2; Markus 7:8; Kolosse 2:6-8). Hier betekent de uitdrukking het doorgeven van de goddelijke waarheid, zoals zij nodig is voor versterking van het geloof (vergelijk 1 Korinthe 11:2; 2 Thessalonika 2:15; 2 Thessalonika 3:6). Het is onze opdracht de waarheid te bewaren en niet er iets aan toe te voegen, zoals het helaas in de geschiedenis van de kerk zo vaak gebeurd is. Velen hebben met deze plaats de kerkelijke overleveringen willen bekrachtigen. Welke dwalingen hebben daardoor vrije ingang kunnen vinden! Daardoor wordt het Woord van God aan de kant gezet en ook de Heer, Die het Woord gegeven heeft. Nooit mag er iets tussen het geweten van de mens en God komen. Die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze brief: Eerst was er het mondelinge onderwijs in de waarheid, en later waren het de Brieven die de apostelen geschreven hebben.
Vers 16-17: “En moge onze Heer Jezus Christus Zelf, en God onze Vader die ons heeft liefgehad en ons eeuwige vertroosting en goede hoop door genade heeft gegeven, uw harten vertroosten en [u] versterken in alle goed werk en woord”.
Verkeerde leer veroorzaakt onrust; het is schokkend en maakt verschrikt (2:2). Vertroosting en versterking hebben wij allemaal nodig, zodat wij ons leven tot eer van God zouden kunnen leiden. Deze vertroosting en goede hoop geeft God in Zijn genade aan al de Zijnen. Als de gelovigen opgeroepen worden vast te staan en vast te houden, dan herinnert de apostel door dit gebed er toch aan, dat het tenslotte Goddelijke Personen zijn die ons met zorg omringen. De Heer Jezus en de Vader hebben ons liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop gegeven. Het heil is onomstotelijk; daaraan is helemaal geen twijfel. Dat zijn de heerlijke resultaten van het verlossingswerk van Christus. De Heer Jezus en de Vader nemen kennis van ieder werk dat wij doen, en elk woord dat wij spreken. Zijn het goede werken en woorden?
A. INLEIDING HOOFDSTUK 3
Nadat de apostel Paulus in het eerste hoofdstuk van deze brief de ahrten van de gelovigen met het oog op de verschijning van Christus wilde verwarmen en in hoofdstuk 2 de de tot dwaling leidende leer behandelde, dat de dag van de Heer er toen al zou zijn, geeft hij nu onderwijs over hoe zij met problemen moesten omgaan, die in hun eigen midden optraden. Het gaat hoofdzakelijk om de vraag, wat te doen is, wanneer gelovigen een ongeregelde wandel leiden. In hoofdstuk 1 en 2 behandelt hij gevaren van buiten, hier behandelt hij gevaren onder de gelovigen.
B. INDELING HOOFDSTUK 3
- Voorbede van de gelovige voor de arbeider in de verkondiging van het evangelie (vers 1-2);
- De trouw van de Heer die bevestigen en bewaren zal (vers 3);
- Appèl om te gehoorzamen (vers 4);
- De bron van kracht en vreugde (vers 5);
- Wat te doen als iemand ongeregeld wandelt (vers 6-15);
- De wens om vrede en afsluitende groeten (vers 16-18).
C. UITLEG HOOFDSTUK 3
Vers 1: “Overigens, broeders, bidt voor ons, dat het woord van de Heer zijn voortgang heeft en verheerlijkt wordt, zoals ook bij u,”.
Nadat de apostel aan het eind van het vorige hoofdstuk zijn wens voor de jonge gelovigen in Thessalonika in de vorm van een gebed uitgedrukt had, roept hij hen nu op voor hem en zijn medearbeiders te bidden. De verkondiging van het evangelie en de opbouwing van de gelovigen door het Woord van God moest niet gehinderd worden. Handelingen toont ons aan welke gevaren de apostel Paulus voortdurend blootgesteld was (vergelijk 1 Korinthe 4:9-13). Hij wist van de kracht van het gebed. Niets verbindt gelovigen zo aan elkaar dan de voorbede voor elkaar. Bidden wij voor zulken die in de strijd in de voorste linie staan? Zij zijn het bijzondere doelwit van de satan. Wanneer zij lamgelegd worden, ontstaat grote schade voor het werk van de Heer. De ijverige apostel is zich van zijn volledige afhankelijkheid bewust en weet, dat de gelovigen op elkaar aangewezen zijn. Dat het woord van de Heer zijn voortgang heeft en verheerlijkt wordt: Ze hebben het evangelie gehoord en werden daardoor gered. Paulus wenste, dat nog meer mensen tot geloof zouden komen en dan ook verder onderwezen zouden worden. Het woord moest ongehinderd voortgang hebben en in zijn heerlijkheid openbaar worden, doordat mensen tot geloof kwamen en in de waarheid bevestigd zouden worden (vergelijk Handelingen 13:48). Waar het Woord in zijn heerlijkheid zichtbaar wordt, wordt God verheerlijkt. Zoals ook bij u: Paulus sluit de gelovigen mee in in de kring van werkzaamheid van het evangelie dat hij verkondigde. Daarin lag indirect een heerlijke bemoediging voor de gelovigen.
Vers 2: “En dat wij gered worden van de onbehoorlijke en boze mensen. Want het geloof is niet [het deel] van allen;”.
Er was veel vijandschap tegen het evangelie. Paulus en zijn medearbeiders hadden de redding uit de tegenstand van deze boze mensen nodig. De vijandschap kwam hoofdzakelijk van de zijde van de ongelovige Joden, die zich als de meest verbitterde vijanden van het evangelie bewezen (1 Thessalonika 2:14-16). Zeker, er waren ook andere vijanden, want het evangelie wordt of aangenomen of afgewezen en niet zelden bestreden. Want het geloof is niet [het deel] van allen: Velen nemen de liefde tot de waarheid niet aan. Paulus wist, dat niet allen geloven zouden, zowel van de Joden als van de heidenen {volkeren – vertaler}, en zulken bewezen zich dan ook dikwijls als vijanden van Christus. Toch wilde hij er enkelen winnen (1 Korinthe 9:22). Zelfs van de Heer Jezus hebben zich er velen weer afgewend, die Hem een tijdlang gevolgd waren (Johannes 6:66).
Vers 3: “Maar de Heer is trouw, die u zal versterken en bewaren voor de boze”.
Bij alle vijandschap van de kant van de wereld blijft altijd de troost, dat de Heer alles weet en Zich in grote trouw met de Zijnen bezighoudt. Hij is het die de Zijnen bevestigt (2:15,17). Hij weet van hun omstandigheden en bewaart hen voor de boze. Het is de Goede Herder die eerst de juiste voeding geeft en dan voor de gevaren bewaart. Hij heeft in Johannes 17:15 de Vader gebeden, dat Hij de discipelen voor de boze bewaren zou. Dat (of het) boze kan drie betekenissen hebben:
- Boze mensen;
- het boze, dat is satan;
- boze in het algemeen.
Vers 4: “Maar wij vertrouwen van u in [de] Heer, dat u <én> doet én zult doen wat wij bevelen”.
In vers 3 en 4 vinden wij, zoals zo vaak in Gods Woord, deze beide zijden tezamen: Enerzijds bevestigt en bewaart de Heer de Zijnen, anderzijds is het hun verantwoording, dát te gehoorzamen wat de apostelen in opdracht van de Heer geboden hebben. De Heer Jezus heeft de apostelen gezag gegeven om te gebieden. Vandaag ligt deze autoriteit in het Woord van God. “Maar wij vertrouwen van u in [de] Heer: De apostel schenkt de Thessalonikers vertrouwen. Dit vertrouwensvoorschot bemoedigt. Het is een vertrouwen in de Heer.
De Thessalonikers kenden de geboden van de Heer die Hij hen gegeven had (1 Thessalonika 4:2). In het bijzonder had hij hen aanwijzingen voor hun levensleiding gegeven, een thema dat hij in het volgende gedeelte verder uiteenzet. Gehoorzaamheid ten opzichte van de aanwijzingen van de apostel is uiteindelijk gehoorzaamheid tegenover de Heer. Daarbij legt de Heer de gelovigen niets op, wat te zwaar voor hen zou zijn: “Mijn juk is zacht en Mijn last is licht” heeft Hij eens tegen Zijn discipelen gezegd (Mattheüs 11:30).
Vers 5: “De Heer nu moge uw harten richten tot de liefde van God en tot de volharding van Christus”.
Voordat Paulus echter op bijzonderheden ingaat, wijst hij hen op twee dingen, die hun harten zouden moeten vervullen: de liefde van God en de volharding van Christus. Alleen wanneer wij deze dingen voor ogen hebben, vinden wij ook de kracht al de aanwijzingen op te volgen, die zonder enige twijfel voor ons bestwil dienen. Tot de liefde van God: Het is de wens van Paulus voor de gelovigen: dat alles verwijderd zou mogen worden wat hen in het genot van de liefde van God hinderen kon. Letterlijk kan “liefde” op de liefde van de gelovigen tot God betrekking hebben. Uit het verband wordt echter toch duidelijk, dat het om de liefde gaat, die God voor de Zijnen heeft. Roept zo’n liefde geen reactie in ons wakker? “Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1 Johannes 4:19). Deze God die ons zo oneindig liefheeft, is nu onze Vader (vergelijk hoofdstuk 1:1-2). En tot de volharding van Christus: Daarbij komt, dat Christus met verlangen hunkert naar het ogenblik, waar Hij de gelovigen bij Zijn komst als Zijn Bruid tot Zich neemt1. Is het niet ontroerend daaraan te denken, dat de Heer Jezus veel meer naar dit ogenblik van de opname verlangt dan alle gelovigen tezamen? Is dat niet een vernieuwde reden, Hem met brandende harten te verwachten? De Thessalonikers hadden zich bekeerd om de levende God te dienen en Zijn Zoon uit de hemel te verwachten (1 Thessalonika 1:10). Verwachten wij Hem dagelijks? Het is “de hoop op onze Heer Jezus Christus” (1 Thessalonika 1:3), Hem spoedig te zien. Het is beslist niet zo, dat de Heer de belofte van Zijn komst vertraagt. Hij is alleen daarom nog niet gekomen, omdat Hij lankmoedig is en niet wil, dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (2 Petrus 3:9).
Werner Mücher – © Folge mir nach
Geplaatst in: Bijbel
© Frisse Wateren, FW